Lezersbrief: Wij spreken Limburgs maar de Taalunie wil dat niet weten

De Taalunie, het officiële orgaan van de Nederlandse en Vlaamse overheden dat over taalbeleid adviseert, heeft onlangs het onderzoeksrapport Staat van het Nederlands. Over de taalkeuzes van Nederlanders en Vlamingen in het dagelijks leven gepubliceerd (NRC 8/5).

De belangrijkste uitkomst is dat de Nederlandse taal een sterke positie heeft en nauwelijks bedreigd wordt door het Engels.

Die berichtgeving gaat echter ten koste van de accuratesse. In het Nederlandse taallandschap is met twee maten gemeten: bij de taalkeuzes van ingezetenen zijn sommige alternatieven wel geregistreerd (Engels, Frans, Spaans, Tamazight en het Fries), maar erkende regionale talen zoals Nedersaksisch en Limburgs niet.

Dat is met name slecht gevallen bij Limburgers, van wie honderdduizenden in het dagelijks leven, in de sociale en beroepsmatige omgang, in cultuuruitingen en in het openbaar verkeer bewust voor hun eigen Limburgs kiezen. De Taalunie heeft in hun geval altijd a priori voor de Nederlandse taal gekozen en registratie van Limburgstaligheid uitgesloten. Dat mag dan wel het gunstige effect hebben dat daardoor het aantal Nederlandstaligen verhoogd is, het is wetenschappelijk onzuiver en vertekent moedwillig de werkelijkheid.

Het is bovendien een rare zaak dat een mede door de Nederlandse overheid gefinancierde instantie stelselmatig volhardt in haar ontkenning van een door de Nederlandse overheid erkende regionale taal sinds 1997. Een zeventigtal prominente Limburgers, onder wie zo’n dertig academici en veertig vertegenwoordigers van de media en de cultuursector (o.a. André Rieu) hebben hiertegen protest aangetekend onder het motto ‘Wij spreken Limburgs maar de Taalunie wil dat niet weten’. Hun brief en namen staan online.

en