Column

Peddelen door liefdesverdriet

Charlotte Van den Broeck

In haar tweede bundel schuift deze dichter herkenbare beelden en taal ineen, met overtuigende verstikking als gevolg.

Indrukwekkend is de vlucht die Charlotte Van den Broeck genomen heeft sinds ze haar debuutbundel Kameleon naïef en bedeesd opende met de regels:

Sommige plaatsen zijn zo klein

dat ze in een vingertop passen.

Ik probeer te wijzen waar alles is geweest

maar ik weet het zelf nog amper.

Recentelijk werd tijdens de London Book Fair bekend gemaakt dat Van den Broeck een van de participerende auteurs is in het prestigieuze Europese uitwisselingsproject New Voices dat waarschijnlijk haar faam tot ver over de grenzen van het Nederlandse taalgebied zal verspreiden.

Inmiddels zijn we ook een bundel verder. Nachtroer heet haar tweede en vervolgt op logische wijze het traject dat zij met haar debuut inzette. Van den Broeck heeft haar stem gevonden. In beeldrijke poëzie zoekt ze de verwondering en verstilling:

leg wat je nog wilde wuiven terug in een roerloze hand

net nog zie je op je tippen achter je een overkant, net

in de verte een vogel nog en de rotspunt waar niemand

naartoe rende om aan de rand op zijn tippen te staan wuiven

De openingsafdeling, ‘Acht’, is het hoogtepunt van de bundel. Deze cyclus gedichten laten haar ragfijne gevoel voor ritme het beste zien. Ze peddelt hier haar lezers door golven van verlies en liefdesverdriet heen:

een goochelaar zaagt me in twee stukken en klapt me open

naar het publiek, mijn lege romp onthuld na de nacht, na de slag

waarin ik generaal en sterveling werd, grond en organen verloor

jou vergat door de trompetten van de optocht in mij

Wat deze cyclus zo goed maakt, is niet een inventief gebruik van metafoor of taal, want beide zijn eerder risicoloos, maar dat de dichter herkenbare beelden en taal ineenschuift met een hoger tempo en overtuigend gebrachte verstikking als gevolg.

In wat op deze cyclus volgt is dat dwingende er nauwelijks. De gedichten in de tweede helft, ‘Nachtroer’, krijgen van Van den Broeck de ruimte om meer te ademen in plaats van zoals in Kameleon de gedichten meer samengebald te schrijven. Dit leidt ertoe dat de gedichten die veelal op zichzelf staan, aanvoelen als hoogdravende oefeningen en bijgevolg indringende energie missen.

Een van de redenen daarvoor is de drang te verfraaien: de quasi-poëtische formuleringen en vondsten benadrukken alleen maar het poëtische dat het wil uitdrukken. Ik wil niet zeggen dat alles in een gedicht functioneel moet zijn, hou toch op. Ik ben ook niet tegen verfraaien, maar wel tegen een overvloed die de poëzie platlegt. Op elke pagina is wel iets gemaniëreerds te lezen: de regels ‘zoals adem bij inspanning soms onder de huid blijft hijgen’, of ‘onder me rolt de lijn van een kaart over in een straatnaam’, of ‘tot het licht niet langer tot ook het kijken / niets meer dan de richting van je ogen wordt’ (uit het vlakke gelegenheidsgedicht voor Remco Campert) accentueren alleen de pseudo-diepzinnige bewering die er gedaan wordt en het gezwollen effect ervan.

De regels met de herhaling van ‘tot…’ doen erg aan het werk van Peter Verhelst denken. Die associatie keert de hele bundel door terug door weglatingen en repetities. Maar Verhelst is vooral de dichter van geabstraheerde situaties en scènes, terwijl Van den Broeck veeleer anekdotischer aandoet:

Woensdagmiddagen in de woonkamer van bruine skai

grootmoeder stookte het huis ondraaglijk warm

over haar kleren droeg ze een roze kamerjas

waaronder dochters zich in dochters verdeelden

Gevolg daarvan is dat de sentimentele kracht die zo geloofwaardig en duidelijk voelbaar is in ‘Acht’, ontbreekt in het verdere verloop van Nachtroer. Van den Broeck laat ons eerst zo gulzig drinken, maar weet de blijvende dorst nadien niet meer te lessen.