‘O Ibrahim, wat heb je gedaan?’

Het leven van een Nederlandse jihadist

Ibrahim I. is de man van de van terrorisme verdachte Laura H. Of hij nog leeft, weet niemand. Dat hij naar IS-gebied zou vertrekken zag zijn familie niet aankomen. Een reconstructie.

Illustratie Sebe Emmelot

Ze droomde vannacht van Ibrahim. Sarah zag haar broer staan in het duister onderaan de trap. Een scharminkel was hij geworden. Bleek, met donkere wallen. Hij strompelde naar boven, op haar af, en ze zag zijn handen: de vingers waren afgehakt, de stompjes zwartverbrand. Maar bang was Sarah niet. „O, Ibrahim”, dacht ze, „wat heb je gedaan?” Haar broer huilde. En ze sloot hem in haar armen.

„Hij was echt bij me vannacht”, zegt Sarah. „Maar ook weer niet.”

Het is bijna een jaar geleden dat de Nederlandse jihadist Ibrahim I. (28) verdween rond de Iraakse stad Mosul. Bij een vluchtpoging uit het gebied van Islamitische Staat, waar hij samen met zijn vrouw Laura H. naartoe was vertrokken, zou hij gewond en alleen zijn achtergebleven. Daarna bleef het stil. „We wisten zeker dat hij dood was”, zegt Sarah, zijn jongere zus. „Tot dat filmpje…”

Begin deze maand verscheen een video op Facebook, geschoten in Mosul, van een bebaarde man op zijn knieën die door gewapende lieden wordt bewaakt en geschopt. Ibrahim? „Hij lijkt er heel veel op.” Maar zeker weten doen ze het niet.

„Een dubbel gevoel,” zegt Sarah, „dat hij mogelijk nog leeft.” Natuurlijk is ze ergens dolblij – je broer blijft je broer, wat hij ook heeft gedaan. Maar als hij er echt nog is, wat gaat er dan met hem gebeuren nu? Overleeft hij zo’n gevangenschap in Irak? En waarom heeft hij al die tijd nooit iets laten horen?

Volgens dagblad Trouw is het hem echt, dat zou via een Iraakse militie aan hun correspondent zijn bevestigd. Sarah twijfelt. Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken kan nog geen uitsluitsel geven over de nummer 55 op de nationale terrorismelijst.

Toch was het meteen groot nieuws (‘Echtgenoot Laura H. in leven’, ‘Jihadist Ibrahim I. opgedoken’), zoals alles in de zaak rond Laura H. (21) groot nieuws is – zeker sinds haar vader Eugène vorige maand in NRC vertelde hoe hij betaalde voor haar bevrijding uit het kalifaat. Het proces tegen Laura, die wordt verdacht van terrorisme, is nog in volle gang.

„Ibrahim I., Ibrahim I.”, zegt Sarah, „elke keer als ik die naam zo hoor, word ik verdrietig… ‘Jihadi’, ‘Syriëganger’, de man die Laura H. mishandelde – dat is hij allemaal. Maar achter die ‘I.’ schuilt óók een mens. Hij heeft een verhaal.” En dat wil Sarah nu vertellen.

De sleutelbos

„Vertrekken naar het kalifaat? Ibrahim?” Sarah (27) schudt haar hoofd. Niemand van het gezin zag het aankomen, zegt ze. Zij niet, de andere twee zussen en hun ouders ook niet. „Na een vreselijke, zeg maar gewoon een kutjeugd, leek het met Ibrahim juist redelijk goed te gaan”, zegt Sarah. „Tot hij opeens was vertrokken. Die dag vergeet ik nooit.”

Het is half september 2015 en de vader van Ibrahim zit te bidden in een Alkmaarse moskee. Een jongeman tikt op zijn schouder. „Bel mij vanavond”, fluistert hij. „Het gaat over Ibrahim.” Hij krijgt een briefje met een telefoonnummer toegestopt.

Die avond zit de hele familie, minus Ibrahim, verzameld in de woonkamer: vader, moeder en Sarah en de twee andere zussen (van 31 en 25 jaar). Het nummer is gedraaid. De man komt op bezoek. „Hij keek de vrouwen niet aan”, zegt Sarah. „Hij sprak alleen met mijn vader, zijn rug naar ons toe.” Zijn boodschap: „Ibrahim is weg, en ik heb iets van hem.”

Veel woorden worden niet gewisseld. Duizelig van de adrenaline stappen Sarah en de oudste zus in de auto en rijden, op zijn verzoek, achter de man aan. Intussen bellen ze Ibrahim, tientallen keren, maar zijn telefoon gaat niet over. Sarah checkt haar whatsapp. ‘Broer’, laatst gezien: 11 september 2015.

„We hadden zo’n slecht gevoel”, zegt Sarah. „We stopten voor een huis, even buiten Alkmaar, en die vent ging naar binnen.” Met de portieren op slot wachten de zussen tot hij weer naar buiten komt. Hij geeft ze een sleutelbos: van het huis van Ibrahim en Laura in Leidschendam. „Hij zei iets van: ze zijn vertrokken en jullie krijgen de groeten.”

Eenmaal thuis is er familieoverleg. „We waren allemaal aan het shaken.” Het besef dringt langzaam door. „Alle stukjes vielen op hun plek. Dat Ib zijn baard vlak daarvoor had afgeschoren, dat hij zijn paspoort had opgehaald en er voor zijn pasgeboren zoontje een had aangevraagd…”

Die nacht bellen Sarah en haar zus de politie. En ze bellen Eugène, de vader van Laura H. „We zeiden: wij hebben het vermoeden dat Laura en Ibrahim naar IS zijn gegaan.”

Lees ook dit interview: Hoe de vader van Laura H. haar terugkreeg uit het kalifaat. ‘Ik hoopte dat ze een beetje menselijk was geëxecuteerd’

Snoepoma

Ibrahim I. groeide op in Alkmaar, maar werd geboren in het Duitse Hagen. Zijn vader was zelf als peuter met zijn ouders uit Palestina gevlucht, na de oorlog van 1948 die door Palestijnen al-Nakba wordt genoemd (‘de ramp’) en door Israëli’s Milchemet Ha’atzma’oet (‘de onafhankelijkheidsoorlog’).

Fragment uit een gesprek tussen Ibrahim en een vriend. Abu Abdirrahman is de IS-naam van Ibrahim:

profile

Abu Abdirrahman

Lang geleden gezien

    Het gezin kwam terecht in Libanon, in Rashidiya: een vluchtelingenkamp in naam, maar in werkelijkheid een permanente Palestijnse nederzetting waar niemand kans maakt op naturalisatie.

    Als ze een jaar of dertig zijn, vertrekken Ibrahims vader en moeder, die elkaar in het kamp hebben ontmoet, met hun pasgeboren kind naar Europa. Een paar jaar wonen ze in Duitsland, waar Ibrahim en Sarah worden geboren. Als een verblijfsvergunning uitblijft, tot hun diepe frustratie, laadt het gezin de auto in en verdwijnt de Nederlandse grens over. Vanuit het azc in Amersfoort komen ze terecht in Alkmaar.

    „Aanvankelijk was alles fijn”, zegt Sarah. Het gezin krijgt een mooi, tijdelijk huis toegewezen in een gezellige wijk. De buren zijn lief, ouders en kinderen ontspannen. Ze halen snoep bij de „snoep-oma” verderop, van de buurman mogen ze mee achterop de motor, ijsjes halen aan het strand in Bergen.

    Twee jaar later komt de verblijfsvergunning door. Eindelijk, maar dat betekent ook: de wijk uit. Het gezin wordt overgeplaatst naar een naburig dorpje, alles wat Alkmaar niet is. „In onze oude buurt was er een snackbar, speeltuinen, de supermarkt. In het dorp was alles stil.”

    De situatie in het gezin loopt uit de hand, zegt Sarah. Ze denkt na. „Mijn vader was toen niet wie hij nu is.” Stilte. „Daar werd Ibrahim de dupe van.” Ze wil er niet in detail op ingaan, zegt ze. Wat kan ze wel zeggen? Sarah fronst. „Ibrahim heeft het echt heel, héél erg zwaar gehad. Ik wil geen excuses maken voor mijn broer, maar je kunt hem daar niet los van zien.”

    Drank, drugs, pepperspray

    Ibrahim had twee kanten, zegt Sarah. Aan de ene kant was hij de zachtaardige, beschermende broer die haar opvrolijkte als ze verdrietig was door te zeggen dat ze zo mooi kon zingen. Die het thuis voor haar opnam. Die naar haar school kwam omdat een jongen haar had gepest. Sarah: „Hij keek hem alleen maar aan en zei: luister, dit is míjn zusje.” Dat was genoeg.

    „Jij gaat net zo stoer worden als ik”, zei Ibrahim tegen Sarah. „Dan kan niemand je wat maken.” Hij leende haar zijn kleren, leerde haar hiphopmuziek kennen. „Hij was zeer geliefd bij de vrouwen”, zegt Sarah. „Knappe meiden. Een hippe boy dat hij was. Ik keek zo tegen hem op.”

    Maar hij was ook de broer die haar kamerdeur openbrak als ze niet opendeed. Die ze niet durfde tegen te spreken. Die haar soms sloeg, één keer zo hard dat ze „nokkie” ging, tegen de vlakte.

    Met zijn vrienden, „ik dacht toen dat het nette Nederlandse jongens waren”, komt Ibrahim vaak in de problemen. Vechtpartijen, drank, drugs. Hij draagt soms een mes, of pepperspray. Wat er allemaal in haar broer omgaat, blijft voor Sarah ongrijpbaar. „Hij was zo gesloten”, zegt ze. „Wij wisten nooit wat er met hem aan de hand was.”

    Religie speelt in het gezin altijd een rol. Moeder draagt een hoofddoek, thuis onderwijst vader zijn familie over de islam. Er wordt gebeden, vijf keer per dag, en voorgelezen uit de Koran.

    Orthodox was het gezin niet, zegt Sarah. „Mijn vader heeft weleens gevraagd of we niet een hoofddoek om wilden, maar daar hadden wij geen zin in. Dat vond hij onze eigen beslissing.”

    Als Ibrahim een jaar of veertien is, groot genoeg om fysiek voor zichzelf op te komen, breekt hij met de islam. Tegen Sarah zegt hij dat hij niet meer met het geloof bezig wil zijn. Zijn vader houdt hem niet tegen. „Wij bidden, hij blowen op zijn kamer. De rook kwam naar beneden. Moet je je dat voorstellen in een islamitisch gezin.”

    Steeds vaker en langer verdwijnt Ibrahim van huis. „Soms ging hij even naar de supermarkt”, herinnert Sarah zich, „en dan kwam hij een dag later terug. Bleek hij weer te zijn opgepakt voor een of andere vechtpartij.”

    Op de havo gaat het niet. Hij is weinig in de klas, en wordt al snel van school gestuurd. Hij zakt af naar het vmbo. Ook daar gaat het mis. Sarah: „Wat ik nog weet: een leraar had zijn tas afgepakt. Dat moet je bij mijn broer niet flikken.” Ibrahim slaat de docent op zijn gezicht. Hij belandt, voor het eerst, in de jeugdgevangenis.

    Doodse sfeer

    Ibrahim glijdt weg in een spiraal van criminaliteit. Als hij na een paar maanden vrijkomt uit Doggershoek, de toenmalige jeugdgevangenis in Den Helder (inmiddels verbouwd tot azc), gaat het niet veel beter. Hij wordt weer gearresteerd, en nog eens, hij schendt de voorwaarden van zijn vrijlating, en moet weer zitten.

    Even voor zijn achttiende komt Ibrahim weer vrij, herinnert Sarah zich. De situatie in het gezin was op dat moment juist enigszins gestabiliseerd. „We hadden heel goede gesprekken gehad met onze vader.”

    Maar nu is het Ibrahims schaduw die over het huishouden hangt. „Soms zaten we gezellig te kletsen in de woonkamer, en als Ibrahim dan van boven naar beneden kwam, werd het gelijk stil.” Was ze bang voor hem? „Eerder op mijn hoede. Hij creëerde een doodse sfeer in huis. ‘Het eten is niet lekker.’ En dan durfde niemand meer iets tegen hem te zeggen.”

    Fragment uit een gesprek tussen Sarah en Ibrahim:

    profile

    Broer

    Laatst gezien: 11-07-16 23:13

      Iedereen in het gezin hoopt dat hij snel uit huis zal gaan, ook voor zijn eigen gemoedsrust. „Ik ging hem helpen huizen kijken online, alles om hem te stimuleren.”

      Rond zijn 21ste gaat Ibrahim op kamers. Hij komt tot rust, zegt zijn zus. Hij gaat terug naar school, het mbo-1, volgt een opleiding tot elektricien. Loopt stage. Haalt zijn rijbewijs. Gaat op kamers in Alkmaar, samen met een Spaanse vriend. „Mijn broer werd een ander mens, zegt Sarah. „Ik kreeg een veel hechtere band met hem. Samen eten, samen shoppen, naar de zonnebank.”

      Ibrahim verandert zijn leven. Geen drank meer. Geen drugs. Niet meer vechten. „Ik heb al die nepvrienden afgezworen”, zegt hij tegen Sarah. „Die brengen toch alleen maar problemen.”

      En Ibrahim herontdekt de islam.

      „Hij begon weer te bidden”, zegt Sarah. „Hij was toen nog normaal gekleed, hoor, maar hij bad al dagelijks, soms met mijn vader bij ons thuis.” Vond ze dat gek? „Ik vroeg: hóe dan? Jij bidden?” Hij is ouder geworden, antwoordt Ibrahim, wijzer. „Hij deed niets wilds meer. Alleen boodschapjes, boeken lezen, naar religieuze teksten zoeken op zijn laptop.” Hij leefde van zijn werk als bezorger voor een snackbar, en van de studiefinanciering. „Hij had vooral heel veel spijt van zijn gedrag van vroeger.”

      Ibrahim stopt ook met luisteren naar muziek. „Hij had het altijd over Fresku, Bruno Mars, Immortal Technique – en toen opeens: helemaal weg.”

      Zorgelijk vond Sarah dat niet. Het gezin is al lang blij met de nieuwe Ibrahim. „Hij was zo leuk geworden. Als ik ’m zag, zei hij: hé Saar, hoe gaat het? Zullen we wat gaan eten? Zullen we pizza bestellen? Zoiets zei hij eerder nóóit.”

      Ibrahim gaat studeren aan de Islamitische Universiteit in Rotterdam. En hij bouwt een nieuwe band op met zijn vader, gestoeld op hun gedeelde interesse in de islam. Ze gaan samen naar de moskee, spreken eindeloos over de theologie. Soms krijgen ze er ruzie over, fel soms wel, maar zeker niet zoals vroeger.

      Sarah denkt even na. „Het leek op momenten alsof die woede helemaal weg was. Maar het zat er nog wel, hij kon soms keihard uit zijn slof schieten.” En met Laura komt die kant weer keihard naar boven.

      Moslima.com

      Laura H. was frêle, zegt Sarah, „zo’n lief meisje, zo schattig. ‘Haaai’, zei ze, en ik dacht: wat ben jij nog een kindje. Zo dun en klein, helemaal bedekt, op haar gezichtje na. ‘Haai, ik ben Lamyae’ – zo noemde ze zichzelf. ‘Hoe gaat het?’” Ze had toen al een dochtertje. „Een schatje, niet te geloven.”

      Laura is bekeerling, en woont in een jeugdinstelling. De eerste keer dat Sarah haar ontmoet zijn Ibrahim, toen 25, en Laura, 19, al weken getrouwd.

      Een islamitisch huwelijk is voor buitenstaanders moeilijk te begrijpen, zegt Sarah. „Vanaf een zekere leeftijd ben je als jongen volgens de Koran verplicht om te trouwen. Anders moet je elke dag geld geven aan de armen, ofzo. Ibrahim wilde graag trouwen.”

      Laura is niet zijn eerste bruid. Vanaf ongeveer zijn 23ste struinde Ibrahim datingsites als Moslima.com af. Hij leerde daar voor Laura al een andere vrouw kennen. „Een ontzettend leuke meid uit Eindhoven,” zegt Sarah, „ietsjes ouder dan hij”. Ze trouwen gelijk.

      Denk niet aan een bruiloft met een feest en familie van twee kanten. „Het is chatten, chatten, chatten. Ben jij serieus? Ja. En jij? Ja. Nou, prima.” Kennismaken met de ouders van de bruid, even samen de moskee in, klaar. „De eerste keer dat hij haar zag, zijn ze meteen getrouwd. Zo gaat dat. Islamitisch trouwen is meer dat je elkaar kunt leren kennen, privé kunt zien, en natuurlijk dat je het bed mag delen.”

      Ibrahim trok bij zijn vrouw in Eindhoven in. Ze kregen een kind. Maar gelukkig was hij niet, zegt Sarah. „Ik weet niet wat er in die periode is gebeurd. Zijn agressie was niet helemaal weg. ‘Soms komt die kloteduivel weer in me’, zei hij.” Het huwelijk hield een jaar stand.

      Een paar weken na de scheiding komt Ibrahim bij zijn ouders en zussen alweer over de vloer met zijn nieuwe bruid, ook ontmoet op Moslima.com. Sarah kijkt naar Laura, en denkt: „Jij gaat het met mijn broer nog zwaar te verduren krijgen.”

      Illustratie Sebe Emmelot

      Aan haar haren de trap af

      Laura H. (21) zit sinds afgelopen zomer vast op de ‘TA’, de terroristenafdeling van de Penitentiaire Inrichting Vught, met het zwaarste gevangenisregime van Nederland. De inhoudelijke behandeling van haar zaak is nog niet begonnen, maar in de rechtbank heeft ze wel verklaard over de mishandelingen die ze onderging.

      De eerste keer dat Ibrahim zijn bruid meeneemt naar zijn ouders, gaat het al mis. Het echtpaar blijft logeren. Sarah herinnert zich hoe zij die nacht met haar zussen en moeder buiten voor de deur staat te huilen, terwijl Ibrahim binnen zijn vrouw afranselt. „We konden haar geschreeuw niet verdragen. Alsof hij iemand aan het onthoofden was.”

      „Houd ermee op!”, schreeuwt vader door de deur heen. Maar de kamer van Ibrahim durfde niemand in.

      Als het even stil is, trekt Sarah Laura mee naar haar kamer. Binnen minuten stormt Ibrahim naar binnen. „Dat vergeet ik nooit meer”, zegt Sarah. „Hij pakte haar, dun als ze was, en sleurde haar aan d’r haren de trap af. Ik was in shock.”

      Sarah zwijgt even, en zucht.

      Ibrahim heeft het echt heel, héél erg zwaar gehad. Ik wil geen excuses maken voor mijn broer, maar je kunt hem daar niet los van zien

      „Ik wilde hier een menselijk beeld van Ibrahim schetsen… Maar dit hoort er ook bij. Hij sloeg haar echt kapot.” Sarah volgt de rechtszitting tegen Laura vanaf de publiekstribune. „Wat Laura in de rechtbank, zei… Ik heb dat gezien. Hij smeet haar door de kamer. Met haar hoofd tegen de muur, tegen de muur, muur, muur. Hij wurgde haar, liet haar niet meer los, Ibrahim kende geen genade.”

      Sinds die ene avond ziet ze Laura niet veel meer, „misschien drie of vier keer”. Van zijn ouders mag Ibrahim zijn vrouw niet meer meenemen naar huis.

      De momenten dat familieleden even met Laura alleen zijn, spreken ze op haar in, vader, moeder, zussen: „Je moet bij hem weg. Hij is niet goed voor je. Wat doe je nog bij hem?” Nee, zou Laura telkens hebben gezegd: „Ik houd van hem.”

      Ibrahim confronteren doet niemand. „Dat durfden we niet”, zegt Sarah. „Zijn huwelijk is zijn zaak.”

      Alle hoop vervliegt wanneer Ibrahim aankondigt dat hij en Laura samen een kind verwachten. Sarah: „Ik kreeg kippenvel. Nu kon ze niet meer weg.”

      Baard

      Laura H. en Ibrahim I. gaan samenwonen in Leidschendam. Bij Sarah verdwijnt Ibrahim op dat moment wat uit beeld, haar ouders houden wel veel contact. „Op het laatst leek het wel goed te gaan”, zegt Sarah. „Ze gingen hun huisje inrichten, een leuk huisje. Maar ja, de buren vertellen een heel ander verhaal. Politie aan de deur enzo. Ik heb dat allemaal niet meegekregen in die tijd.” Uit documenten in het bezit van NRC blijkt dat Laura ten minste één keer aangifte van huiselijk geweld deed tegen Ibrahim, tijdens haar zwangerschap.

      Ibrahim komt, zonder Laura, veel thuis in Alkmaar. „Uren zat hij dan met mijn vader te praten, te discussiëren over het geloof. En hij nam zijn laptop overal mee naartoe, die stond vol islamitische filmpjes. Leuke filmpjes, hoor. Ze hadden soms wel ruzie, maar ze hadden wel respect voor elkaar gekregen.”

      Zag ze hem radicaliseren? Nee, zegt ze. Goed, hij liet een baard staan en zijn haar groeien. „Maar dat zegt niets. Mijn vader heeft ook lang haar en een baard. Als jij hem zou zien, zou je denken: dat is de leider van IS. Maar hij háát IS. Als dat het ware geloof is, zegt hij, dan ben ik geen moslim.”

      Achteraf was het juist het moment dat Ibrahim zijn baard eraf haalde, dat veelzeggend was. Dat doen jongens die naar het kalifaat uitreizen om minder problemen te krijgen aan de grens. „Voor ons zag hij er gewoon weer uit als zijn vroegere zelf.”

      Het enige wat Sarah haar broer ooit over IS heeft horen zeggen: „Geloof niet alles wat je op het nieuws hoort, Saar.” Hij liet haar plaatjes zien op zijn telefoon van schone straten, kinderen spelend tussen het groen, vrolijke, gesluierde vrouwen. Heel anders dan het stoffige, kapotgeschoten oorlogsgebied dat je kent uit het nieuws. „Zo zag het kalifaat er in werkelijkheid uit, zei Ibrahim. De beelden op het journaal waren anti-islamitische propaganda.” Ze haalt haar schouders op.

      In Mosul, IrakFoto Reuters

      Sterven als martelaar

      Precies dat is hoe jongens als Ibrahim naar het kalifaat worden gelokt, zegt A., een jeugdvriend van Ibrahim en een bekende van Sarah. We spreken af in Alkmaar. (Hij wil niet met zijn naam in de krant, maar die is bij de redactie bekend.) A. kwam wekelijks bij Ibrahim en Laura over vloer, en heeft van dichtbij gezien hoe Ibrahim in de ban raakte van de jihad.

      A. beschrijft hoe hij en Ibrahim discussieerden over het ware geloof, over IS, hoe ze filmpjes deelden van preken en oorlogssituaties, van „kapotgeschoten” Iraakse kinderen na een Amerikaans bombardement. Het is volgens hem niet zo dat ze werden geronseld, dat er één persoon was die hen overtuigde van het gelijk van IS: het ging geleidelijk, ook door sites van bewegingen als Sharia4Holland en de Belgische variant daarvan. „We keken ook veel naar de filmpjes van Anwar al-Awlaki.” Dat is een Amerikaans-Jemenitische prediker die in 2011 werd gedood bij een Amerikaanse drone-aanval.

      „Destijds dacht ik ook dat het goed was om daar te vechten, omdat vrouwen en kinderen gebombardeerd werden”, zegt A. bij de koffie. „Maar ik had altijd twijfels. Ibrahim deed het.”

      Waarom hij wel? „Hij zei tegen mij: ik kan hier niet blijven.” De politie stond in die tijd herhaaldelijk in Leidschendam aan huis. Jeugdzorg werd erbij gehaald. „Hij was bang dat ze zijn kind zouden afpakken.” Ibrahim hoopte in het kalifaat met een schone lei te beginnen. „Maar naar IS ga je in principe om als martelaar te sterven”, zegt A. „Dat wist hij ook wel.”

      En de mannen met baarden? De buren in Leidschendam vertelden aan media dat er aan de lopende band mannen met baarden het huis in en uit liepen. „Volgens mij zagen ze steeds dezelfde”, zegt A. „Ik had geen grote baard, maar Abdulmalik had dat wel.”

      Hij doelt op een andere vriend van Ibrahim, een Albanees afkomstig uit de buurt van Alkmaar die zich altijd voorstelde als ‘Abdulmalik’. Zijn echte naam kent A. niet. „Hij wilde ook die kant op. Hij is degene die Laura en Ibrahim uiteindelijk naar Schiphol heeft gereden.”

      Abdulmalik is tevens de man die Ibrahims vader in de moskee op zijn schouder tikte, en Sarah de sleutels van haar broers verlaten huis heeft overhandigd.

      Granaatscherven

      Na Ibrahims vertrek blijft het een maand stil. Dan komen de eerste appjes binnen. Via Facebook levert Ibrahim commentaar op de profielfoto van Sarah, waarop ze – uiteraard – ongesluierd te zien is. „Het is een zonde dat mannen je zo kunnen zien.” Sarah verbreekt het contact.

      Haar ouders spreken Ibrahim nog wel regelmatig via whatsapp, en ook jeugdvriend A. blijft contact houden. Zo weten we dat Laura en Ibrahim eerst naar Turkije zijn gevlogen. Eerst Istanbul, dan door naar het zuiden. Bij grensstad Gaziantep zijn ze met een busje naar de grens gegaan. Daar renden ze een maïsveld door, Syrië in, naar de stad Jarablus. Vanuit daar reisden ze door naar Raqqa, de hoofdstad van het kalifaat.

      Het echtpaar wordt naar Irak gestuurd, tegen Ibrahims zin, hij was liever in Syrië gebleven, zegt A. „Maar dat heb je niet zelf voor het kiezen daar.” Ergens in de Iraakse woestijn gaat Ibrahim een maand op trainingskamp. Hij wordt ingelijfd bij een artilleriebrigade even buiten de frontlinie. Hij krijgt een strijdersnaam, een kunya: Abu Abdirrahman.

      Al snel raakt hij gewond. Granaatscherven in zijn been. De wonden genezen, maar de scherven kunnen niet door de IS-dokters worden verwijderd, krijgt hij te horen. „Of ze wilden het niet”, zegt A., „niet belangrijk genoeg”. Ibrahim is gehandicapt, kan niet meer vechten, komt thuis te zitten in Mosul, met een uitkering van 100 dollar per maand.

      Het echtpaar heeft van IS een mooi huis toegewezen gekregen, vertelt Ibrahim aan A., met een zwembad. Maar toch krijgt hij „influisteringen”, twijfels die aan hem beginnen te knagen. Volgens A. voelt Ibrahim zich niet goed behandeld door IS. De omstandigheden beginnen hem op te breken. Geen warm water, luizen, honger. De Irakezen zijn een smerig volk, zegt Ibrahim soms. „Hij zei dat het de Irakezen alleen maar om geld te doen was.” En hij mist het kind uit zijn eerste huwelijk dat hij in Nederland had achtergelaten.

      Laura wordt, ook in het kalifaat, dagelijks mishandeld. Zij schakelt de hulp van haar vader in om te proberen weg te komen, terug naar Nederland. Samen willen ze Ibrahim overtuigen om met haar en de kinderen uit IS-gebied te vluchten. Tegen zijn familie zegt Ibrahim daarover niets.

      In Mosul, IrakFoto Reuters

      Epiloog

      „Ik geef nooit het verleden de schuld”, zegt Sarah. „Ik heb óók een klotejeugd gehad, maar heb zelf een weg gekozen die de juiste is. Mijn broer heeft dat niet gedaan. Daar is hij verantwoordelijk voor, en niemand anders.” Stilte. „Ik weet zeker dat hij dat zelf ook zou zeggen.”

      De grote vraag blijft: is Ibrahim nog in leven? Na het eerste filmpje zijn uit Irak verschillende beelden opgedoken van, vermoedelijk, dezelfde man. Die heeft NRC ook. Ook een, vrij hardhandig, verhoor in close-up. „We dachten eerst dat het ’m was”, zegt Sarah, „maar in de nieuwe… Hij klinkt anders. En zijn neus is anders. Maar dat kan van de klappen komen. We hebben hem twee jaar niet gezien.” Het wachten valt het gezin zwaar. Sarah brengt dagen online door, op islamitische fora, hopend op een snipper informatie.

      „In het Arabisch is het heel normaal dat je roept om je moeder als je pijn hebt”, zegt Sarah. „‘Mamma!’”. Haar blik verstart. „Ik stel me de hele tijd voor dat mijn broer ergens gemarteld wordt, en om mamma roept.”

      Waarom weet ze eigenlijk nog steeds niet goed, maar in juli 2016, een week voor Ibrahims verdwijning, stuurt Sarah haar broer een bericht. Dat had ze niet meer gedaan sinds hij naar het kalifaat was vertrokken. Hij reageert meteen. Met hartjes. Sarah vraagt of hij geld nodig heeft. Hij is arm, stuurt hij terug, maar nee, ze hoeft niets over te maken.

      Een paar dagen later krijgt haar vader een cryptische boodschap van zijn zoon. „Binnen een week heb ik goed nieuws,” stuurt Ibrahim, „maar als je niets van me hoort, kun je beginnen met rouwen”. Sindsdien is het stil gebleven.

      Illustraties Sebe Emmelot. Vorm Koen Smeets en Miriam Vieveen.