Recensie

Mij intimideren? Dat nooit!

Ernst Kantorowicz (1895-1963)

Deze Duitse mediëvist, die in WO I vocht en fel stelling nam tegen het nazisme, ontpopte zich in Princeton als een eigengereide wetenschapper, die een zeer invloedrijk boek schreef over macht.

Ernst Kantorowicz in Kopenhagen in de zomer van 1925 Foto Lerner Archiv

Voor Ernst Kantorowicz (1895-1963) moet het een hard gelag zijn geweest, de zogenaamde ‘nationale revolutie’ die zich begin 1933 in Duitsland voltrok. In de Eerste Wereldoorlog had hij uit volle overtuiging en met enthousiasme voor zijn land gevochten en was hij bij Verdun gewond geraakt. Na de Duitse nederlaag had hij rond zijn geboortestad Posen (het huidige Poznanń) in een Freikorps tegen de Polen gevochten en vervolgens de Radenrepubliek van München helpen neerslaan.

Als paladijn van de esoterische dichter Stefan George had hij gedweept met de Duitse Geist, heroïek en een elitaire maatschappij-opvatting waarin de cultus van een Führer een centrale rol speelde. En in 1927 had hij een veel geprezen biografie gepubliceerd van de Middeleeuwse keizer Frederik II (1194-1250), de laatste telg uit het huis Hohenstaufen die over het Heilige Roomse Rijk regeerde en wegens zijn dadendrang én intellectuele capaciteiten door tijdgenoten stupor mundi (hij die de wereld verstomd doet staan) werd genoemd.

Je zou zeggen dat er met de nationalistische geloofsbrieven van Kantorowicz niets aan de hand was, maar de nazi’s bleken toch moeite te hebben met één puntje: hij was van joodse afkomst. Er is vaak gesuggereerd dat wanneer Kantorowicz – die vooral op grond van zijn in 1957 verschenen The King’s Two Bodies geldt als een van de belangrijkste mediëvisten van de 20ste eeuw – wél een ‘ariër’ was geweest, hij enthousiast voor het nationaal-socialisme zou hebben gekozen.

Plebejers

Uit de gedetailleerde en genuanceerde biografie die de Amerikaanse historicus Robert Lerner (1940) van hem heeft geschreven, blijkt dat dit onzin is. Evenals de in hetzelfde jaar geboren Ernst Jünger zag Kantorowicz de nazi’s als plebejers, die het concept ‘elite’ niet serieus namen en veel te veel appelleerden aan de onderbuik van het vulgus. Als telg uit een familie van rijke distilleerders wilde hij graag bij een aristocratie horen, en aangezien de adel van het bloed voor hem gesloten bleef, koos hij voor de adel van de geest.

Een democraat was Kantorowicz dus niet, maar hij nam dat idee van een geestesadel, dat niet alleen rechten maar vooral plichten meebrengt, bijzonder serieus. Niet alleen nam hij fel stelling tegen het nazisme en mede-bewonderaars van Stefan George die met het nieuwe regime collaboreerden, ook streed hij in de Verenigde Staten, waar hij sinds 1939 werkte, tegen het Mccarthyisme.

Toen van hem als hoogleraar in Berkeley geëist werd dat hij naast een eed op de grondwet nog een extra eed zou afleggen, waarin hij expliciet afstand nam van het communisme, weigerde hij dat. Zo’n eed was volgens hem in strijd met de waardigheid van een hoogleraar, die in volledige vrijheid zijn werk moest kunnen doen en in wiens gewetensvolle oordeel men vertrouwen diende te stellen. Verontwaardigd stelde hij bovendien dat het extra schandalig was om dit te eisen van iemand die in 1919 ‘with rifle and gun’ tegen de ‘roden’ had gevochten.

Kantorowicz, vanaf 1950 verbonden aan het Institute of Advanced Studies in Princeton, was een bijzonder begaafde, eigengereide en kleurrijke figuur. Volgens ooggetuigen was hij een dappere en onverschrokken frontstrijder geweest, en ook later liet hij zich nimmer intimideren. Hij kleedde zich als dandy en had afwisselend heteroseksuele en homoseksuele relaties, onder anderen met Oxford-don Maurice Bowra, die door Isaiah Berlin werd omschreven als ‘the greatest English wit of his day’.

Overdreven sympathiek komt Kantorowicz niet over, aangezien hij de echtgenotes van zijn leerlingen vaak omschreef als ‘geiten’ en van mening was dat een geleerde die kinderen kreeg verraad pleegde aan de wetenschap. Hoe je daar ook over denkt, feit is dat hij ondanks zijn mondaine levenswandel – hij werkte hoogstens vier uur per dag aan zijn geschriften – de wetenschap niet verraden heeft.

Hoewel de soms wat geëxalteerde toon van Kantorowicz’ Kaiser Frie- drich II nu sterk gedateerd is, geldt het boek nog altijd als een mijlpaal in de geschiedschrijving van het Middeleeuwse keizerschap. Bovendien beschrijft Kantorowicz Frederik, die het grootste deel van zijn bewind in Italië en op Sicilië doorbracht, in de eerste plaats als een ‘Romeins’ keizer, en is het boek geen pleidooi voor een eng-Duits nationalisme. Toch heeft zijn studie naar de ontwikkeling van het begrip van soevereiniteit in de Middeleeuwen nog veel invloed.

Verplichte literatuur

The King’s Two Bodies (1957) is een schoolvoorbeeld van niet-teleologische geschiedschrijving en is verplichte literatuur voor elke historicus die de neiging heeft een of ander verschijnsel in het verleden aan te wijzen als dé oorsprong van de moderniteit. Het is een waanzinnig erudiet boek, dat op elke bladzijde stof tot nadenken biedt.

Critici klagen weliswaar dat Kantorowicz niets ‘bewijst’, maar de kracht van het boek is dat het als een van de eerste aandacht vroeg voor de betekenis van riten en de wijzen waarop politieke macht ‘gerepresenteerd’ wordt. Net zo min als hij Frederik II wilde zien als voorloper van het moderne Duitse rijk, laat staan als voorganger van de man die hij meestal aanduidde als ‘Shitler’, zo wil The King’s Two Bodies niet aantonen dat ons idee van soevereiniteit rechtstreeks uit de Middeleeuwen stamt. Veel mensen hebben echter nog altijd moeite om te accepteren dat het verleden er niet alleen maar was om het heden mogelijk te maken.