Recensie

Industriële omgeving met een huiselijke toets

Frank van Dijl is culinair recensent in de regio Rotterdam.

Foto Rien Zilvold

Je hoeft niet per se in de Hofpleinvijver te springen om je Rotterdammer te kunnen noemen, maar groos – en niet zomaar een beetje groos – moet je wel zijn op je stad met zijn drie eredivisieclubs waaronder de landskampioen, zijn oogverblindende architectuur en zijn wereldhaven. Precies daar, in die wereldhaven, vinden we een plek die de Rotterdammer definieert als iemand die van vrouwentongen houdt, oliedrums gebruikt om kandelaars op te zetten en uierboord bij de lunch niet versmaadt. Dat is althans het beeld dat Leen van Popering van de Rotterdammer heeft — zijn zaak heet niet voor niks Brasserie De Rotterdammer.

Naar het noorden kijk je uit op de 3e Petroleumhaven, naar het zuiden achtereenvolgens op de Oude Maasweg, de Beneluxlijn en de A15; daarachter ligt nog het Hartelkanaal. Vrachtwagens denderen langs en links en rechts staan fabrieken bij te dragen aan de economie. De sansevieria’s (in Vlaanderen vrouwentongen genoemd) in de vensterbanken geven aan deze industriële omgeving een vervreemdende huiselijke toets, net als de foto’s van jazzartiesten aan de wand en de bossen hop die overal als versiering hangen.

Leen van Popering is een oude horeca-rot: hij had een zaak in de Witte de Withstraat voordat hij naar het havengebied verkaste waar vrachtwagenchauffeurs een belangrijk aandeel hebben in zijn klandizie. Tijdens onze vrijdagse lunch komen die tot onze spijt niet opdagen. Wel menen we ze terug te zien op de kaart met zijn truckersbal, botlekburger en draadjesvlees.

We bestellen een glas wijn. Vooraf nemen we het Stellendamse schoteltje (12,50 euro) en de zalm & kaviaar (14,50), uit de hoofdgerechten kiezen we uierboord (8,50) en biefstuk (19,50). Intussen raken ook andere tafeltjes bezet, aanwaaiers en zo te zien kantoorpersoneel uit de buurt. Mannen zijn veruit in de meerderheid.

Het schoteltje uit Stellendam bestaat uit een in huis gemaakte garnalenkroket en een garnalencocktail, dit alles geflankeerd door sla, tomaat, zeekraal en zeewier en natuurlijk cocktailsaus. Er klinken waarderende geluiden van de overzijde van de tafel. De zalm, prachtig donkeroranje van kleur, komt op een zeer brede getoaste boterham met twee bolletjes crème waarin de kaviaar is verwerkt. Van die kaviaar blijft qua smaak niet veel over en ik mis dat lekkere knappen van de visseneitjes in mijn mond, maar de zalm is voortreffelijk en de begeleidende salade eet ik helemaal op.

Ik had mijn biefstuk ‘zo rood mogelijk’ gevraagd, maar dat is kennelijk niet helemaal doorgekomen

Ik had mijn biefstuk ‘zo rood mogelijk’ gevraagd, maar dat is kennelijk niet helemaal doorgekomen. Mijn tafelgenote was avontuurlijker dan ik, want voor haar is de uierboord, honderd jaar geleden bekend als de armeluisbiefstuk en populair onder de arbeiders die in de haven zwaar lichamelijk werk verrichtten. Het is eigenlijk een voorgerecht, volgens de kaart 90 gram zwaar, maar niettemin een flinke lap, bedekt met paddestoelen, met jus, een stukje bloemkool en oerwortel. De structuur lijkt op die van gehakt, hier en daar rul, dan weer romig; de smaak is onmiskenbaar vleesachtig. „Echt voor bootwerkers,” hoor ik van de overkant. „Op deze manier is het goed te doen.”

De biefstuk is wat mij betreft te doorbakken (maar ik ben een zeurpiet op dat gebied), ook met paddestoelen en oerwortel. Ik krijg er een mini-puntzakje frieten bij met een bakje mayonaise.

We stellen vast dat de keuken werkt met mooie en verse ingrediënten en dat aan de bereiding en de presentatie de nodige zorg wordt besteed. Dat wordt bevestigd door de ‘keikop’ (5,50 euro) die we als nagerecht delen, een beslist niet kinderachtig uitgevallen stuk schuimgebak van hazelnoot waar een Rotterdammer – vrachtwagenchauffeur, bootwerker of culinair recensent – weer even mee vooruit kan.