In de schoenen van de schrijver

Michel Krielaars

Over het vertalen van literatuur merkte Frans Kellendonk ooit op dat ‘je er als vertaler altijd naast zit’. Ik las die uitspraak in het laatste nummer van Filter, het tijdschrift over vertalen, en ben het er volledig mee eens. Literair vertalen is iets onmogelijks. Je mag al blij zijn als je enigszins in de buurt komt van wat de schrijver met zijn toon en woordkeus bedoelt. Daarom is het voor een recensent zo belangrijk om niet alleen de vertaling van een Engelse, Franse, Duitse of Russische roman te lezen, maar ook (in ieder geval deels) het origineel. Vooral als het om vertalingen uit het Engels gaat, merk je dan het verschil. Soms gaat er zelfs zoveel van dat origineel verloren dat een 5-ballenroman in vertaling ineens in een 2-ballenroman verandert.

Zelf vertaal ik wel eens een paar Russische zinnen, maar om een heel Russisch boek te vertalen, hoef je bij mij niet aan te kloppen. Dat laat ik liever over aan de handvol taal-tovenaars die Nederland op dat gebied telt.

Sinds afgelopen weekend besef ik ook mijn relatieve onvermogen in het vertalen uit andere talen. Ik zat namelijk in de jury Duits van de vertaalmanifestatie Nederland Vertaalt en merkte ineens hoe ontzettend moeilijk het is om een Duits gedicht (‘Auf was nur einmal ist’ van Peter Rühmkorf) te vertalen. In het origineel weet je wel zo ongeveer wat er staat en wat de dichter ermee bedoelt, en daar geniet je dan van. Alleen daarom kies ik er bijvoorbeeld voor om Thomas Manns Der Zauberberg in het origineel te lezen en herlezen, en niet in de vertaling van Hans Driessen, zo bang ben ik om iets van de humor en ironie van de grote schrijver te missen. In het ergste geval begrijp ik niet alles, maar dan heb ik wel Thomas Mann gelezen en niet Thomas Mann volgens zijn vertaler.

In zijn essay De vertaalsensatie, in hetzelfde nummer van Filter, haalt de Franse vertaler Philippe Noble zijn collega Paul Gellings aan, die zich tijdens zijn worsteling met de vele nuances van de Franse verleden tijden in een roman van Patrick Modiano afvroeg hoe Modiano zou schrijven als hij een Nederlander was geweest. Zelf past Noble die vraag in omgekeerde vorm toe op Cees Nooteboom en Arnon Grunberg. Wanneer zij in het Frans zouden hebben geschreven, zou de eerste dan als een Giraudoux schrijven en Grunberg als een Houellebecq?

Nadat hij die gedachte heeft laten rijpen, beseft Noble ineens net als Gellings dat literair vertalen een vorm van pastische is: de vertaler ‘imiteert iemands stijl, toon, retoriek, redeneertrant…’ Hij verplaatst zich dan ook in de persoonlijkheid van de schrijver en wordt een beetje de schrijver zelf.

Ineens snapte ik waarom Robbert-Jan Henkes, die onlangs de Filter Vertaalprijs 2017 kreeg voor Bij mij op de maan, zijn verzameling vertaalde Russische kindergedichten, zo goed die toon van zijn toeleveranciers heeft gevangen: Henkes is in hun schoenen gaan staan, heeft hun pen ter hand genomen, heeft zich verplaatst in hun eigenaardigheden, is in een datsja op het Russische platteland gaan wonen om de lucht daar op te snuiven. Alleen maar om te begrijpen waarom ze dichten zoals ze doen.

Als je zo kunt vertalen, kun je het origineel zonder al teveel schuldgevoel terzijde schuiven. Die vertaling zou zelfs wel eens beter kunnen zijn dan het origineel.