In de cabrrrrio

Wie van zomer en natuur houdt, wil een cabrio. Maar welke? Hij moet snel zijn, zo open mogelijk en liefst een beetje primitief.

Illustratie Aart-Jan Venema

In de lente gaat het kriebelen. De occasionwebsite Autotrack zag in het paasweekend een hausse aan zoekacties naar open auto’s. Ik begrijp dat heel goed. Als cabrioman vind ik met het fanatisme van de maniak dat iedereen dat hoort te zijn.

Vaak heb ik me afgevraagd, als ik er voor NRC een testte, wat toch de essentie is van het genoegen. Nou, licht en openheid. Een cabrio is een soort hogesnelheidsfiets. Veel nieuwe, vooral grote cabrio’s zijn te beschermend, viel me op. Door de ver doorlopende voorruit, de hoge portierlijn en de lage zit ben je haast te goed tegen de wind beschermd. Geweldig, zo’n Mercedes S-klasse cabriolet of zo’n open BMW 6-serie, maar het is me te ingekapseld, het rijdt als een dichte auto.

Liever een kleine simpele, hoe primitiever hoe beter; zo’n Mazda MX5, de Fiat 124 Spider, een rammelende oldtimer. In een echte zit je naakt. Wat je dan voelt, vertoont verdacht veel overeenkomsten met de kick van de exhibitionist die zich blootgeeft; je overtreedt de wet van de beslotenheid. Dit is geen sport voor binnenvetters. Je breekt blijmoedig door de muur tussen jou en de buitenwereld. Cabrio rijden is indiscretie of, met een positieve twist, verbinding in het nette.

Mijn schoonste autoherinneringen werden geboren zonder dak boven mijn hoofd.

Nazomer 2016. Onderweg naar Italië. Na de overnachting in Freiburg start ik mijn 25 jaar oude Mercedes SL. De kap blijft dicht, de eerste septemberochtend is herfstig koel. Zodra de voor openluchtvertier vereiste minimumtemperatuur van 15 graden is bereikt, gaat hij open.

Onder de naakte hemel rijd ik de Alpen in. De zon schijnt glorieus, het wordt per kilometer behaaglijker, maar de lucht blijft fris en fruitig en het berglandschap omringt me als een hoog oprijzend Panorama Mesdag; 360 graden zicht. Ik matig mijn tempo en laat me kalm bedwelmen door de schoonheid. Ja, de Benz haalt 240, en ik rijd tachtig met die grote zescilinder – dondert niet. Hier heb ik al zeven jaar een open auto voor. Voor het kijken naar de wijde wereld, eerste rang. Blazen doen we straks wel in Toscane.

Twee weken scheen de zon, twee weken reed ik open, de laatste dagen helaas ook omdat de elektrische kap niet meer sloot. Ik heb van de nood een deugd gemaakt door vóór de verwachte regenbuien uit, in één dag heroïsch van Siena naar huis te scheuren, één met een stormend universum. Daar heb je de essentie van het cabrio-geluk.

Met wie deel je het cabrio-geluk?

Nu een belangrijk punt; met wie deel je het? Het hoogst haalbare is uitwaaien met een geliefde. Genieten doe je samen. Dat gaat uiteraard alleen als je het allebei wilt en daar schuilt soms de moeilijkheid. Een van de grote misverstanden over vrouwen is dat ze cabrio’s leuk en romantisch vinden. Dat komt voor, maar door een speling van het lot kom ik ze zelden tegen. Men heeft het koud, mokt brrrr, er is gedoe over haar, men gaat aan ventilatieknoppen draaien en ontzettend zeuren.

Klimatologisch gesproken lijkt de cabriolet – ik zeg voorzichtig lijkt – dus meer een mannending. Dat is een onaanvaardbare situatie. De opdracht luidt dus na te gaan aan welke eisen de cabrio moet voldoen om A) in de relationele sfeer de schade te beperken en B) zijn specifieke deugden tot hun recht te laten komen.

A is het makkelijkst. Kou hoeft geen probleem te zijn. Een fantastisch hulpmiddel is ten eerste het opklapbare windschot achter de stoelen, dat in mijn SL en alle moderne cabrio’s de turbulentie in de zitkuip ook op de snelweg draaglijk houdt. Met stoelverwarming, ’s ochtends een must bij open rijden, houd je de grootste koukleum ten minste op kamertemperatuur. Mercedes kwam als eerste met de airscarf, een extra verwarmingsrooster in de hoofdsteun. Mocht het weeklagen dan nog geen einde nemen, dan stuur je in herfst en lente de luchtstroom van de kachel met de thermostaat op 23 graden naar het voetenruim. Die ecologische schande scharen wij in explosieve situaties onder de noemer Nood Breekt Wet.

Getemde verwencabriolet

Zo, opgelost. Op feitelijke gronden is verzet tegen het dakloze geluk intussen zinloos. Waar ik onmiddellijk aan toevoeg dat je hem zo soft als de weerbestendige burgercabrio’s van onze dagen niet moet willen. Waarmee alle huwelijksreddende concessies van de baan zijn. De doelstellingen A) en B) zijn helaas onverenigbaar. Echte cabrio’s zijn avonturiersauto’s voor natuurmensen. De getemde verwencabriolet met stomende hoofdsteunen en decadent elektrisch stalen klapdak tart de beginselen.

Helemaal een onding is de vierpersoonscabrio voor het gezin. Klinkt mooi, is niks. Kinderen moet je een cabrio niet aandoen. Het kroost zit achterin vol in de wind en anders dan de bijrijder voorin klaagt het terecht de sterren van de hemel. Ik heb zo’n ding gehad en tol betaald. Regel kinderopvang en neem een koene tweezitter, ga voor spartaans en onbespoten. Daarop sluiten de overige randvoorwaarden aan.

Hij mag niet te groot zijn. Romantische Italiaanse vestingdorpen moeten toegankelijk blijven. Smalle landwegen, zijn natuurlijke domein, mogen de bewegingsvrijheid niet belemmeren. Daarmee vallen de open reuzen af. Hoe grandioos een Bentley Continental GTC, de Corvette of grote Mercedessen ook rijden, ze zijn voor Romeinse slingerweggetjes te breed en te zwaar, een blok aan je been.

Verder moet hij snel zijn. Nu lijkt een open auto door de herrie altijd sneller dan hij gaat, maar kracht en souplesse intensiveren het gevoel van vrijheid, het psychologische effect van de ontsnapping aan de sleur: plankgas en wegwezen. En dan komt zij, die onbetaalbare sensatie van gewichtloze verplaatsing in het vrije veld. Daar zweef jij, een veer op de wind.

Helemaal een onding is de vierpersoonscabrio voor het gezin

Een cabrio hoort daarnaast zo open mogelijk te zijn. Voor je uitzicht mag je niet te laag zitten en de kont mag niet te hoog zijn, dat belemmert het uitzicht. Daarom vallen auto’s met stalen klapdak, de zogenaamde CC’s of Coupé-Cabriolets, bijna allemaal af. De voor de ruimtevretende dakpanelen vereiste extra bergruimte stuwt de achterkant omhoog, wat geen gezicht is en vaak een ramp voor het uitzicht. Peugeot heeft met de 207 en 307 CC laten zien waar dat toe leidt; het zijn monsters.

Een stoffen kap moet. Het is de puurste oplossing. Je bent op reis en je kampeert, we zijn hier geen hotel. De isolatie van het canvas is in de meeste nieuwe cabrio’s trouwens zo goed dat je met het dak dicht tot op hoge snelheid een normaal gesprek kunt voeren. Niet zeuren.

Laatste aandachtpunt: neem een mechanisch dak, geen elektrisch. Een elektrische kap is kwetsbaar, ik heb de gevolgen al aan den lijve ondervonden. Als het in Italië had geregend, was het een onprettige vakantie geworden.

Hoe compacter hoe leuker

Waar kom je met die afwegingen uit? De vierpersoonsmodellen vallen af: genoemde dikzakken, de BMW 4-serie, de Ford Mustang, de Opel Cascada. De vuistregel is: hoe compacter hoe leuker. Een Porsche 911 Cabrio begint wat te worden, de kleinere Porsche Boxster met zijn middenmotor benadert al het ideaal van de rauwe vitaliteit die we zoeken. Maar Porsches zijn te duur voor de paar weken per jaar dat je iets aan ze hebt. De Mazda MX5 levert nog steeds de meeste waar voor je geld. Die koop je nieuw vanaf iets meer dan 30.000 euro met een fijn motortje, uitdagende rijeigenschappen, een fantastisch schakelende zesbak en de perfecte kap die je met één beweging sluit en opent. Op de tweedehandsmarkt ben je helemaal de koning te rijk; oudere MX5’s heb je voor een paar duizend euro.

Alternatief is een Mini cabrio, ook om in te lijsten als je niet overgevoelig bent voor modieuze smaken; klein, lief, open en vinnig. De enige grotere cabriolet die in de hoogste graad aan de genotsmaatstaf voldoet is de Jaguar F-Type convertible. Die auto legt je kinderlijkste driften onder het vergrootglas. Ik heb er vorig jaar in Andalusië als een beest mee gereden, bochten bestormend als een overmoedig kind dat in het zwembad voor het eerst van de hoge springt. Het was zo leuk dat ik me er niet eens voor schaamde. Toen wist ik weer: ik ben een cabrioman. Banaal? Ja, banaal. Sorry. Met wie de vibe niet voelt, wordt het nooit wat.