Recensie

Hoe monniken dolden met Ierse goden

Mythen

Ierse godenverhalen komen uit de heidense Keltische traditie, is lang gedacht, en bepalen zo nog altijd het magisch-romantische beeld van Ierland. Maar de verhalen blijken bedacht door speelse monniken.

Elfenruiters: The Riders of the Sidhe (1911), door de Schotse schilder John Duncan (1866-1945), die tijdens het schilderen elfenmuziek zei te horen. Iedere elf draagt een magische Ierse godenschat mee: de onoverwinnelijke speer (verbeeld als bloeiende tak), de ketel die altijd genoeg geeft, het onweerstaanbare zwaard en de lotssteen. Ze staan bij Duncan voor wijsheid, liefde, moed en wilskracht. Afbeelding McManus Galleries, Dundee.

In de vroege middeleeuwen was Ierland een van de interessantste gebieden in Europa. Nooit bezet door Romeinen was het een eiland zonder steden, verdeeld in een groot aantal kleine koninkrijkjes. De Keltische Ieren hadden aanvankelijk geen geschriften, maar wel een sterke literaire traditie van de Filid. Dat was een sociale klasse van dichters die de lokale koningen bedienden. Onbekommerd heidens was het ook.

Het Ierse Wonder begint op de rand van de Middeleeuwen, Verrassend snel raakt het ‘Emerald Isle’ vanaf midden vijfde eeuw bekeerd tot het christendom. De kloostercultuur bloeit bijna onmiddellijk op en Ierland wordt een van de leidende centra van christelijke cultuur in West-Europa. Honderden Ierse monniken gaan naar het continent om daar hun geloof en kennis te verspreiden onder de vaak maar half-christelijke Germanen. De Ierse heilige monnik Brandaan zou op zijn grote zeetocht zelfs Amerika ontdekt hebben, al kan dat ‘Eiland van Brandaan’ ook Gran Canaria zijn geweest.

In de machtige kloosters worden veel Latijnse christelijke teksten op- en overgeschreven, maar niet alleen dat. Verrassend is dat deze Ierse monniken ook verhalen over de oude Ierse goden opschrijven, in het Oud-Iers. Zoals Tochmarc Étaín, uit de achtste of negende eeuw, waarin wordt verteld hoe oppergod Dagda bij riviergodin Bóand een zoon verwekt, Oengus, die later weer de god Midir in zijn oog verwondt, waarna Oengus als straf de wonderschone koningsdochter Étaín voor Midir moet winnen. Dat soort verhalen.

Centraal probleem in dat ‘godenverhaal’ is dat Etain tijdens dat avontuur door de heks Fúamnach veranderd wordt in een grote bromvlieg ‘zo groot als het hoofd van een man’. Dat soort verhalen. Of neem het verhaal over de ‘tweede slag bij Moytura’, waarin de Ierse goden strijden met het volk der Fomorianen. Daarin gaat de oppergod Dagda spioneren. Als hij vervolgens door Fomorianen gevangen wordt genomen, moet hij onvoorstelbare hoeveelheden havermout eten. Daarna gaat hij ontzagwekkend poepen en verleidt hij een Fomoriaanse prinses.

Waarom deden de monniken dat? Zó christelijk en geleerd, en dan dit soort rauwe heidense verhalen opschrijven? In de afgelopen eeuw was daarvoor één verklaring dominant. In de boezem van het Ierse christendom moet een sterke rest hebben voortgeleefd van de oude Keltische religie. Misschien wel door hardnekkige weerstand van de oude dichtersklasse!

Deze interpretatie, ontstaan in de ‘Celtic Renaissance’ aan het einde van de negentiende eeuw, bepaalt in feite nog steeds het huidige romantische beeld van Ierland: vol diep voelende mensen, nauw verbonden met een geheimzinnig landschap dat vergeven is van elfen, kabouters en lepracorns. Ook de Engelsman J.R.R. Tolkien (1892-1973) putte voor zijn boeken inspiratie uit de toen herontdekte Ierse godenverhalen.

Literair spel

Pas de laatste decennia wordt aan deze verklaring getwijfeld door historici. Andere bewijzen dan de verhalen zelf zijn er niet voor zo’n vroeg-middeleeuwse godsdienststrijd. Deze godenverhalen waren een literair genre van schrijvende monniken, betoogt de middeleeuwse-literatuurhistoricus Mark Williams in een prachtig boek: een spel met oude godennamen, met hooguit vage flarden van oude verhalen. Vrijwel alles is nieuw bedacht in de zevende tot de tiende eeuw.

De teksten waren waarschijnlijk ook een weerklank van de kunststukjes die de wereldlijke dichters in die tijd aan de hoven uithaalden. Nog altijd de klasse van die oude Filid, maar nu intens christelijk. Dat amusante woordenspel aan de hoven klonk krachtig door in de kloosters doordat de abdijen in het oude Ierland integraal onderdeel waren van de samenleving. De machtige abten waren vaak lid van lokale koninklijke families.

Williams maakt aannemelijk dat het spel met de oude goden voor de dichters en monniken een manier was om hun eigen geheimzinnige dichterlijke krachten te benadrukken. In feite waren de goden in de verhalen een soort überdichters. Want het is opvallend hoe vaak de geheimzinnige kennis van de goden wordt benadrukt. In hun dichterlijke huisvlijt met oude goden konden deze seculiere dichters zich ook onderscheiden van de meer kerkelijk geörienteerde schrijvers.

Echt niemand geloofde nog in die goden. Denk aan de moderne vampierverhalen, zegt Williams. Zou één van de schrijvers ervan daar werkelijk in geloven? „Moderne vampierschrijvers voelen zich vrij om de mythologie van het vampirisme voor hun eigen doeleinden te gebruiken: komisch, spookachtig, erotisch, of sociaal of politiek relevant. De schrijvers van de oud-Ierse sages gaven zichzelf dezelfde ruimte in de omgang met de heidense goden”, aldus Williams. „Alleen als we dit voor ogen houden, krijgen we gevoel voor hun kunstzinnige prestaties.”

Een sterk bewijs dat in deze oude verhalen geen echte mythologie voortleeft, is de enorme vaagheid en onsamenhangendheid van de Ierse godenwereld. Er is niet voor iedere sector van het leven een eigen god, zoals in de veel ordelijker verhalen uit de Germaanse tradities of de bekendere Griekse en Romeinse. En verering van de goden komt in de Ierse verhalen al helemaal niet voor. „Exasperating shapeless” noemt Williams de mythologie.

In de ‘heidense’ verhalen zitten ook genoeg christelijke thema’s. Neem ‘Het avontuur van Connlae’, een held – zoon van koning Conn van de Honderd Veldslagen – die door een vrouw wordt verleid mee te gaan naar het Veld van Genot. Hij doet het niet, maar krijgt wel een appel. Een maand lang eet hij alleen van die appel die nooit opgaat. Hij kwijnt weg van verlangen. Als de vrouw weer verschijnt gaat Connlae daarom mee, al wil hij eigenlijk zijn volk niet verlaten. Deze mythe heeft alle elementen van een bekeringsverhaal, met de vrouw als allegorie van de Kerk en het Veld van Genot als paradijs, of klooster.

Tot zover de vroege middeleeuwen. Pas in de negentiende eeuw worden deze oude kloostermanuscripten uitgegeven, aanvankelijk vooral uit interesse voor de Ierse taal. Het idee dat het echt heidense verhalen zouden zijn, komt pas later. Dan zitten we midden in de twééde Ierse culturele bloeiperiode: de Celtic Renaissance rond 1900. Toen waren schrijvers en nationalisten, onder wie de dichter en Nobelprijswinnaar William Butler Yeats (1865-1939), intensief op zoek naar een eigen Ierse ziel, na eeuwenlange onderdrukking door de Engelsen. Maar de traditionele streng katholieke cultuur van Ierland werd door de culturele elite juist als verstikkend ervaren.

‘Authentieke’ Ieren

In een mooie analyse laat Williams zien dat vooral protestantse ‘Anglo-Ierse’ nationalisten als Yeats zochten naar een historisch gefundeerd spiritueler alternatief. Het idee dat ónder dit katholicisme nog altijd een heidens Ierland bestond, kwam dus als een bevrijding: vol ‘authentieke’ Ieren, nog altijd in spiritueel contact met goden en elven.

De oude verhalen van de monniken vormden ‘onweerlegbaar’ historisch bewijs, dat verder onderbouwd werd met eigen mystieke ervaringen en vaak half gefantaseerde verhalen uit het platteland. Het gedroomde spirituele verleden bestond echt! Yeats en zijn vrienden menen de aanwezigheid van goden nog altijd te kunnen voelen op straat. Overal een Andere Wereld door de grauwe werkelijkheid heen kon breken.

Deze brede spiritueel-historiserende beweging was een belangrijke factor in het groeiend Iers nationalisme, dat uiteindelijk uitliep tot de opstand en onafhankelijkheid in 1922. Williams geeft prachtige portretten van de voorlieden van deze Celtic Revival. Natuurlijk van Yeats, maar ook van de mytholoog William Sharp (1855-1905), die in Schotland de oude mythes nieuw leven in blies en zijn meest invloedrijke boeken schreef onder het vrouwelijk pseudoniem Fiona Macleod. In een brief beschreef Sharp dat pseudoniem als een soort geestverschijning: „Het is alsof Fiona in een andere kamer slaapt. Ik hoor haar soms lopen, met het plotseling openen van een deur”. Of neem Yeats’ boezemvriend, de dichter en schilder George William Russell (1867-1935), die zijn visioenen van de Ierse goden schilderde, inclusief de curieuze ‘vuurpluimen’ om hun hoofd – alsof ze een indianentooi droegen. En zo schreef Williams een prachtig boek over twee Ierse bloeiperioden en hoe de tweede de speelsheid van de eerste totaal niet begreep.

Uit de burleske sagen, vermengd met de veel latere volksverhalen over elfen die in grafheuvels zouden leven, creëerden Yeats en de zijnen een nog altijd bijna onweerstaanbaar beeld van een half-heidens spiritueel Ierland. Vrolijke fantasieën van middeleeuwse verhalenvertellers werden aldus verheven tot een nieuw nationaal epos. Zelfs de toch zeer katholieke middeleeuwse heilige Sint Brigit werd omgetoverd tot een godin. Binnen de vaagheid van die oude godenwereld kon zo’n heilige er ook nog wel bij.