Recensie

De nieuwe Adriaan van Dis zit vol galgenhumor

Adriaan van Dis

Zijn nieuwe roman wemelt van de ironie. Maar elk hoofdstuk raakt aan de actualiteit.

Illustratie Paul van der Steen

Adriaan van Dis op z’n lelijkst: hij laat zich in zijn poepgat kijken. Dat is echt een Van Dis-grapje, onmiskenbaar voortgekomen uit de pen die koketterie en vunzigheid in dezelfde kleur optekent. Een nette heer, in wie we een erg Adriaan van Dis-achtige figuur herkennen, ligt in het vierde hoofdstuk van In het buitengebied voorover op de behandeltafel, terwijl een chirurg zijn bilspleet ontdoet van aambeien. De arts vond Indische tuinen (!) een ‘lollig boek’ en zo kletst hij voort over Claire, de lokale cultuurminnares uit het dorpje L, die leuke soireetjes met cultuur en wijn organiseert, voor allerlei gelijkgestemden.

‘Namen gonsden’, noteert de Van Dis-achtige hoofdpersoon dan, ‘ik kende ze allemaal…’ Die drie puntjes zijn omineus. Het wordt een pijnlijk hoofdstuk, en niet zozeer vanwege de medische handelingen. Hij is het namelijk goed zat, dat type als Claire, dat type dat zijn lezer is, het type dat in feite zijn bestaansrecht vormt.

Dit hoofdstuk blijkt het giftigste van In het buitengebied, de eerste roman van Adriaan van Dis (1946) sinds hij twee jaar geleden met Ik kom terug de Libris Literatuurprijs won. Dit had Ik trek mij terug kunnen heten, want de geëngageerde globetrotter heeft zich verschanst in het achterland, ver van de stad en van de mensen, nabij een rivier, waar hij zich voorstelt ooit in te lopen, ‘bij hoogwater, op een koude dag, in een jas zwaar van stenen’. Brr. Het is er zo stil dat de eenzaamheid de overhand neemt, en een doodsverlangen.

Het is geen vrolijk boek, maar wel erg grappig. Dat anale Van Dis-grapje is een typisch voorbeeld van de alomtegenwoordige galgenhumor én de ironie. Want het is ondertussen óók bittere ernst, dat poeren in het poepgat. Dat speuren naar aambeien, dat zoeken naar ontstekingen op een plek die wij toch al zelden zien en de bezitter ervan al helemaal nooit, tenzij die een spiegel hanteert – dát is precies wat Van Dis unverfroren doet in deze roman. Hij likkebaardt bij zijn eigen lelijkheid, uit noodzaak en verlangen, maar zonder er noodzakelijkerwijs gelukkig van te worden.

Autobiofictie

In het buitengebied bestaat uit min of meer losse hoofdstukken (het heet op het titelblad een ‘roman in verhalen’) die niettemin een hechte eenheid vormen, omdat ieder hoofdstuk dezelfde kern heeft, een gitzwarte kern. Telkens staat een andere persoon centraal tot wie de Van Dis-achtige hoofdpersoon zich verhoudt (ik ga hem hierna gewoon ‘Van Dis’ noemen, dat dit autobiofictie is en dus wat aangedikt en opgedirkt mag u nu zelf onthouden of vergeten – ‘veel van zijn hebbelijkheden zijn mij vreemd’, distantieert de schrijver zich in het nawoord: ‘Ik heb trouwens ook geen aambeien.’). Telkens is die verhouding moeizaam, en ten diepste tragisch.

Dat hebben we nog niet meteen door. Het begint met een monter verhaal over Akiko, een Japanse schone die Van Dis als partner uit het Oosten heeft laten komen, een vrouw met bovenmenselijke kwaliteiten. Wat blijkt (spoiler alert): Akiko is een robot. Maar wél perfect. Toch schuilt de tragiek van hun verhouding niet in het feit dat zij een robot is. ‘Mens zijn?’ vraagt ze op een gegeven moment. ‘Dan zou ik je maar teleurstellen.’ Achter zo’n zinnetje gaat een hartgrondige eenzaamheid schuil – en die is in zo’n zinnetje raak en roerend.

Zo stuiten de verhoudingen steeds op het onvermogen van de hoofdpersoon om zich te openen. Dat is het puurst zichtbaar in het verhaal over Rivka, een onbereikbare haaibaai tot wie Van Dis zich als jonge man aangetrokken voelt. De boosdoener is de ‘Binnenstem’, een innerlijke nar die al vanuit zijn binnenste snerpt sinds Van Dis een jochie was, toen de stem hem aanzegde: ‘Blijf alleen. Je moet altijd kunnen vluchten.’

Waar die stem precies vandaan komt, moeten we maar deduceren uit ander werk van Van Dis; in In het buitengebied is het een gegeven. Mede dankzij de stem is er in elk geval een heer gevormd die ten diepste afstandelijk is, die daarmee altijd een onvervuld verlangen koestert en (daarom?) een fascinatie heeft voor het vuige, het onfortuinlijke, voor hen die lijden. In het hoofdstuk ‘Ronnie’ herkennen we hem weer, die man, die ooit door de Parijse banlieue wandelde, die onrechtvaardigheden in Zuid-Afrika boekstaafde. Maar ‘de wereldoorlog in de kranten dwong me kleiner te gaan denken’ en het bloed kruipt zelfs in het buitengebied, waar hij een jongen uit een gezin van ‘achterblijvers’ vindt om zich over te ontfermen.

Tragisch verhaal

Het levert ook een even mooi als tragisch verhaal op, dat we als de crux kunnen beschouwen van wat er in deze roman tot Van Dis doordringt: helpen helpt niet meer. En dat terwijl de wereld in brand staat. ‘Vreselijke tijd, vreselijke tijd’, vonden de lezeressen in het buitengebied het, maar, noteert hij verbolgen, ‘we verzetten ons niet, we trokken ons terug, huiverend in ons witte wereldje. En ik huiverde mee.’

De nette man die gefascineerd is door viezigheid gaat die hoogstens te lijf met goede bedoelingen en groene zeep. En dan nog: de wereld láát zich niet meer wassen door de heer Van Dis. De man die zich ooit manifesteerde als geëngageerd schrijver, schrijft nu voor enkele liefhebbers die hun onvrede weerklonken weten over de ‘plurken’ aan de macht en zich aan het eind van de avond, hoofdschuddend maar toch ook opgelucht over zoveel gelijkgestemdheid, weer verschansen in hun boerderijen. Zodat er nóg niets verbetert – en dat frustreert.

Wat te doen? Verschansen? Hoezeer Van Dis zich ook heeft teruggetrokken in het buitengebied en in het ‘kleine’ verhaal, de huidige wereld blijkt zich niet te laten afbakenen, dus ieder hoofdstuk raakt toch weer aan de actualiteit – en dat is misschien wel het beste van In het buitengebied, meer nog dan de psychologische zelfdoorlichting. De bittere, verslagen frustratie stijgt zo uit boven het persoonlijke, en dat is misschien niet erg genoeglijk, maar wel het beste wat je van In het buitengebied zou kunnen wensen. Over genoegen gesproken: of het nu de kleine, cynische steekjes zijn (een Syriër ‘die zijn nagels lakte om asiel te krijgen’) of de scènes van grote, fundamentele verslagenheid over de aanhoudende ongelijkwaardigheid en polarisatie tussen de gegoede witte man en iedereen die iets anders is – telkens schrijft Van Dis het op in zinnen die glanzen. Soms glanzen ze, als het enige bitterzoete genoegen dat nog rest, van zwartheid.