Opinie

Europese Unie moet haar soft power hard inzetten bij China

China profiteert van de toegankelijke Europese markt, maar is zelf lang zo open niet. Wees niet naïef, adviseert de EU.

Bouwplaats in het Chinese Baoding FRED DUFOUR/AFP

We moeten de negatieve effecten van de globalisering voor de EU indammen, zonder daarbij de globalisering zelf aan de kant te zetten. Dat schrijven Eurocommissaris Frans Timmermans en zijn collega Jyrki Katainen in een discussiestuk over de toekomst van de EU dat vorige week verscheen. Ze pleiten voor een „gewogen globalisering”. Ze hebben gelijk, zeker als we kijken naar de relatie met China.

De commissarissen noemen zeker twee voorbeelden van negatieve effecten van globalisering die specifiek betrekking hebben op China. Ze noemen het land nergens bij naam, maar spreken over „buitenlandse investeerders, vooral staatsbedrijven, die uit strategische overwegingen belangrijke Europese technologiebedrijven overnemen.”

Dat kan alleen maar over China gaan. Tot ongerustheid van Duitsland nam een Chinees bedrijf begin dit jaar bijvoorbeeld Kuka over, een producent van hi-tech robotica. Dat is geen toevallige aankoop, het past in een bredere strategie die van China in 2025 een wereldwijd centrum van hi-tech productie moet maken. Daarbij is het de bedoeling dat wereldberoemde merken in de toekomst vooral Chinese merken zijn. Slim beleid van China, maar dom dat de EU dat zo gemakkelijk toelaat.

Ook spreken Timmermans en Katainen over ongelijkheid bij het intekenen op overheidsopdrachten. In de EU kunnen ook partijen van buiten de EU op gelijke voet meedingen maar in „andere landen” is dat niet altijd zo vanzelfsprekend, stellen ze. Dat slaat zeker ook op China. Een recente klacht van de Europese Kamer van Koophandel is dat de Chinese overheid haar opdrachten bij voorkeur, en soms uitsluitend, aan Chinese staatsbedrijven gunt.

De EU heeft tot nu toe zo weinig verweer gehad tegen Chinese aankopen van innovatieve Europese bedrijven, omdat bedrijven hier nu eenmaal minder onder invloed staan van de overheid. Daar komt nog bij dat de EU lange tijd een sterk, bijna blind geloof in de vrije markt had.

Van dat geloof profiteert China nog steeds handig. China maakt volop gebruik van de mogelijkheden om in de EU te investeren en om naar Europa te exporteren, maar geeft EU-landen omgekeerd alleen uitgekiend en beperkt toegang tot de Chinese markt. China is geobsedeerd door binnenlandse veiligheid en stabiliteit. Die is het beste te realiseren met betrouwbare Chinese partners. Afhankelijkheid van buitenlandse bedrijven maakt China in de ogen van de Chinese president zwak en kwetsbaar, die bedrijven zijn er daarom steeds minder welkom. China tamboereert nu op zijn Zijderoute-project, de verzamelnaam voor investeringen in weg-, spoor- en pijplijnverbindingen in het buitenland, waarover vorige week in Peking een top met 28 staatshoofden en regeringsleiders werd gehouden. Maar ook dat project kent weinig wederkerigheid. China voorziet grote Chinese investeringen in EU-landen, maar stelt zijn eigen grenzen niet open voor gelijksoortige investeringen. Het is goed dat de EU sterker aandringt op evenwichtigheid in de relatie.

Maar de auteurs noemen terecht ook gebieden waarop de globalisering juist een stuk verder zou kunnen gaan. Dan gaat het om mondiale afstemming op het gebied van „mensenrechten, arbeidsomstandigheden, voedselveiligheid, volksgezondheid, milieubescherming en dierenwelzijn”. Allemaal gebieden waarop de EU ver voorloopt.

China denkt dat de EU een verborgen agenda heeft als het zaken als mensen- en arbeidsrechten centraal stelt

De EU ziet waarden die te maken hebben met universeel menselijk welzijn als Europese kernwaarden. Zoals Duitsland niet kan bloeien zonder dat het Frankrijk goed gaat, kan de EU niet bloeien zonder dat het met de wereld goed gaat. Het uiteindelijke doel van globalisering is dan ook niet alleen het versterken van de positie van de EU, maar ook het verbeteren van het leven voor de wereldbevolking als geheel.

Juist door het belang dat de EU aan dergelijke kernwaarden hecht, heeft de EU ongemerkt goud in handen. Het geeft de EU een vorm van soft power waarover China nauwelijks, en misschien zelfs steeds minder, beschikt. China kun je zeker bewonderen om de snelle welvaartsgroei. Je kunt ook opkijken tegen China’s macht en de steeds prominentere plaats op het wereldtoneel. Maar vertrouwen dat China ook jouw belangen hoog in het vaandel heeft staan, kun je toch niet makkelijk hebben.

China denkt dat de EU een verborgen agenda heeft als het zaken als mensen- en arbeidsrechten centraal stelt. In de ogen van de Chinese president Xi Jinping zijn die „praatjes” uiteindelijk bedoeld om de positie van de Communistische Partij in China te ondermijnen.

De EU moet die onderwerpen niet vermijden, maar erop inzetten het onderliggende wantrouwen bij China weg te nemen. Dat is in het belang van Europa én van China, want internationale afspraken rond bijvoorbeeld minimale arbeidsvoorwaarden en een schoner milieu kunnen ook het welzijn in China verhogen – en daar is zeker behoefte aan en bereidheid toe. Dat blijkt bijvoorbeeld uit China’s ondertekening van het klimaatakkoord van Parijs.

Als de Europese Unie met overtuiging zo’n nieuwe leidersrol op zich neemt, juist ook waar het internationale regelgeving betreft, kan de EU (opnieuw) een aantrekkelijke partner worden, ook voor die landen die er zo langzamerhand achter komen dat China wel erg op het eigenbelang is gericht.