Recensie

Een land met grootheidswaan

Met een goed oog voor smakeljke details beschrijft historicus Wesseling Frankrijks worsteling met zichzelf aan de hand van de levens van drie markante persoonlijkheden.

De Franse katholieke filosoof Joseph Ernest Renan (1823-1892) Foto CORBIS / Getty Images)

Na Napoleon kwam een scherts Napoleon (die waarvan Marx zei dat de geschiedenis zich herhaalde, eerst als tragedie, daarna als klucht). Op de eerste republiek volgde een tweede, op de tweede een derde, op de derde een vierde, en ondertussen probeerden allerhande dynastieke potentaten de natie weer op te tuigen tot een koninkrijk. En dan is er nog de voorlopige uitkomst van de grote revolutie, het keizerrijk, de tussendoor-monarchieën, en al die republieken: de tweestrijd tussen de nieuwe politici Marie le Pen en Emmanuel Macron, die op geen enkele wijze lijken te wortelen in het Franse verleden. Met als eindresultaat de verkiezing van een president met monarchale allures, omdat, zoals hij zegt ‘het volk een koning verwacht’.

Frankrijk, kortom, is zo’n land met een geschiedenis waarvan je altijd in de war raakt, en waarvoor je een historicus als H.L. Wesseling nodig hebt om er iets van te begrijpen. Eigenlijk lijkt het een land dat niet kan kiezen: wil het nou dansen om een vrijheidsboom of wil het de voeten van een president kussen die doet alsof hij ‘koning-keizer-admiraal’ is? Het probleem met Frankrijk is, dat het zich beide wenst, zo legt Wesseling in zijn nieuwste boek uit, en hij citeert de 19de-eeuwse historicus Guizot die schreef dat ‘Frankrijk een revolutie wilde die niet revolutionair zou zijn en die orde en vrijheid zou geven, en dat allemaal tegelijk’. Het is een land met een te grote keuken en te grote maag (zeer naar welbevinden van de historicus die evenzeer culinair als politiek op de hoogte is), en een te grote geschiedenis. Want met een Zonnekoning en een Napoleon achter de kiezen, die respectievelijk in de 17de en 19de eeuw Frankrijk bevorderden tot continentale wereldmacht, kun je nauwelijks genoegen nemen met een bijrol in Europa (alleen al daarom is een soort Franse Brexit uitgesloten, het megalomane patriottisme staat zulks niet toe). Honger naar macht of op z’n minst naar grandeur hoort bij Frankrijk, zoals worst bij boerenkool.

Wesseling heeft het allemaal al eens beschreven: hoe De Gaulle zichzelf plaatste in de traditie van Napoleon in zijn biografie over de president, en hoe Frankrijk zich begin twintigste eeuw opmaakte voor een wereldoorlog ter herstel van de Franse glorie in zijn proefschrift Soldaat en krijger.

En nu is er dan het boek over de lange Franse 19de eeuw. De titel ervan Scheffer, Renan, Psichari verwijst naar de min of meer vergeten hoofdfiguren die familiaal met elkaar verbonden waren en die ‘mee mogen doen’ in het verhaal van Wesseling over Frankrijk tussen 1815 en 1914. Welbeschouwd namelijk gaat dit boek over een land dat na de Revolutie en Napoleon zichzelf opnieuw uit moet vinden. En alle drie hoofdfiguren openbaren bepaalde perioden en opvattingen van het in zichzelf verdeelde Frankrijk. De geboren Dordtenaar en tot Fransman genaturaliseerde kunstschilder Ary Scheffer (1795-1858) leeft in de tijd dat Frankrijk de kwestie ’republiek of koninkrijk’ oplost door een constitutionele monarchie te worden, met als zinnebeeld van het compromis een ‘burger-koning’ aan het hoofd: Louis Philippe. ‘Zijn belangrijkste attribuut was niet de degen maar de paraplu’, schrijft Wesseling. En terwijl de auteur de dilemma’s van de periode benoemt, schets hij een mooi portret van de in de kringen van de burger-koning verkerende kunstenaar die tot aan haar dood met zijn stokoude moeder samenwoont (voor dat soort details heeft Wesseling een zesde zintuig).

Stroomversnelling

De Franse geschiedenis raakt in een stroomversnelling als we kennis maken met de beroemdste hoofdpersoon: Ernest Renan (1823-1892). Hij trouwt met een nichtje van Scheffer en heeft ook een dominante moeder, ‘wier grootste wens het was om haar leven te eindigen als huishoudster van haar zoon de pastoor’, die hij na een voltooide seminarieopleiding niet blijkt te worden. Hij wordt integendeel de schrik van katholiek Frankrijk als schrijver van een levensbeschrijving van Jezus die, zegt hij, misschien wel niet de zoon van God is. Met Renan, een ‘goedaardige dikke reus’ volgens de ene bron, en ‘bedekt met de eeltknobbels van een aap’ volgens de andere, komen we in het Frankrijk van het hysterisch katholicisme tegen anticlericalisme, staat tegen kerk, geloof tegen wetenschap, van de revolutie van 1848, van de staatsgreep van de Napoleon de Derde uit 1851 en van de vernederende nederlaag tegen de Duitsers bij Sedan in 1870. Het is in reactie op het verlies van Elzas Lotharingen als gevolg van de Teutoonse overwinning dat Renan zijn beroemde rede ‘wat is een natie’ schrijft: een gevoelde, doorleefde eenheid, anders gezegd: alles wat Frankrijk niet is.

Vuurbol

Aan het slot van het boek verschijnt de vuurbol Ernest Psichari (1883-1914) ten tonele. Alles aan hem is wat de natie nodig heeft volgens Renan, alles aan hem is gevoel. Voor Frankrijk en God, wat Psichari betreft inwisselbare enormiteiten. Hij wordt soldaat ‘tegen’ zijn verlichte antimilitaristische vader die zich inzet voor de ten onrechte van spionage beschuldigde Dreyfus, en bekeert zich tot het roomse geloof ‘tegen’ zijn atheïstische grootvader Ernest Renan (het katholieke dagblad De Tijd schreef in 1916 nog ‘over de stichtende bekering van de vermaarde kleinzoon’). Psichari’s optreden valt samen met Frankrijks ogenschijnlijke herstel als wereldmacht, als koloniale veelvraat en als martiale reus in de Eerste Wereldoorlog.

Psichari staat voor de grootheidswaan die de grootste gemene deler is uit de jonge Franse geschiedenis. Het land worstelt de gehele 19de eeuw met de vraag of het misschien verlegen zit om een nieuwe Napoleon, Zonnekoning of Revolutie. Zo blijkt uit Wesselings leerzame en onderhoudende boek. Gelukkig voor het land heeft het nu een president die onder de Arc de Triomphe belooft de natie haar ‘zelfvertrouwen’ weer terug te geven.