Opinie

De slavernij is ook een wit trauma

Als iedereen naar I Am Not Your Negro gaat, kan het racismedebat naar een hoger niveau worden getild, schrijft . James Baldwin leert ons in die documentaire hoe je de ander echt kunt zien.

Een still uit de documentaire I am not your negro.

‘Waarom zijn negers niet optimistischer”, vraagt Dick Cavett aan de Afro-Amerikaans schrijver James Baldwin in The Dick Cavett Show (1968). „Het gaat zoveel beter”, zo vult hij het antwoord van zijn gast in. „Er zijn nu negerburgermeesters, negersportlieden, negerpolitici en als ultiem eerbetoon zijn negers nu ook te zien in reclames.”

Het is de openingsscène geworden van de documentaire I Am Not Your Negro, de Nederlandse première was 11 mei, gebaseerd op een onaf manuscript van Baldwin (1924-1987). De schrijver schudt langzaam zijn hoofd: „Zolang dit soort rare dingen worden gezegd, heb ik weinig hoop. Het gaat niet om hoe de neger ervoor staat, maar wat er van dit land is geworden.”

Ik las Baldwin pas laat. Op mijn school was er geen ruimte voor deze zwarte denker en humanist. Wij lazen Reve, ‘t Hart en Mulisch. Jaren later, 26 moet ik zijn geweest, viel mijn oog op Another Country. Ik kwam tot de helft. Te confronterend. Ik was niet gewend om op zo’n uitgesproken manier na te denken over interraciale relaties. Zelf had ik geen enkele moeite met mijn relatie met een witte man en ik wilde niet op ideeën worden gebracht.

Mijn fascinatie voor Baldwin ontstond pas vorig jaar. Een vriendin stelde voor de film Baldwin’s Nigger te bekijken. Over een gesprek uit 1969 tussen Baldwin en een merendeels zwart, Brits publiek. Ik was verbluft. Nog nooit had ik iemand op die manier horen praten over racisme. Rasoverstijgend, glasheldere logica. „Nonsens, er is geen rassenprobleem”, zegt Baldwin. „Het echte probleem is om uit te vinden of je bereid bent naar je leven te kijken, daar verantwoordelijkheid voor te nemen en verandering aan te brengen.”

I Am Not Your Negro raakt me net zo. De film gaat over veel meer dan racisme. Baldwin brengt een directe, intieme confrontatie teweeg tussen film en kijker. Ik voel me aangespoord om na te denken over wie ik ben, om misstanden onder ogen te zien, ze te erkennen, er iets aan te doen, of weg te kijken. Een fragment: „Na schooltijd werden we gescheiden. De meeste mensen die ik ken hebben niets tegen zwarten. Niet ras maar apathie en onwetendheid is het probleem. Je weet niet wat er gebeurt aan de andere kant van de muur, je wil het ook niet weten.”

Alsof er licht naar binnen valt

In de film komt deze apathie ook in beeld. Het is 1957. Actrice Doris Day, toonbeeld van onschuld, bedenkt in haar keuken met een gelukzalig gezicht of ze wel of niet een fles champagne zal openen. Terwijl ze wegdroomt, laat ze haar hoofd naar links hangen. Abrupt wordt het beeld onderbroken. Het is 1957. Een zwarte, gelynchte vrouw vervangt het beeld van Doris Day. Ook haar hoofd bungelt naar links. Terwijl een deel van de bevolking zich blindstaarde op een doek vol onschuld en schoonheid, werden in het diepe zuiden van Amerika zwarte mensen als beesten opgehangen.

Als ik naar Baldwin luister, is het alsof er een luik wordt geopend en het licht naar binnen valt. Ik realiseer me opeens dat je in talkshows en columns kunt lullen als Brugman, maar zolang wij niet ieder voor zich onderzoeken waarom we de ander niet moeten, dat onderkennen en vervolgens besluiten de ander toch toe te laten, zal er geen verandering komen.

Baldwin kan ons helpen het Nederlandse racismedebat naar een hoger niveau te tillen. Vooralsnog hebben de tegenpolen zich verschanst in onneembare vestingen. Wit kan niets goed doen versus ondankbare zeurpieten. Als je eruitziet zoals ik, geen blad voor de mond neemt, krijg je al snel het verwijt identiteitspolitiek te voeren. Aan de andere kant zie ik hoe makkelijk het is om een witte gesprekspartner, die zich nog geen raad weet met allerlei nieuwe termen en nog ‘blank’ zegt in plaats van ‘wit’, bij voorbaat te diskwalificeren. Baldwin dwingt je na te denken over je eigen morele ‘ik’. Daarbij hoort ook dat je altijd de verbinding moet blijven leggen tussen je eigen geschiedenis en waar je nu staat.

Een gemeenschappelijke basis vinden

Ik denk aan Amsterdam and Europe, historical ties, een boekje van de gemeente over de Amsterdamse handelsgeest sinds de veertiende eeuw. De enige verwijzing naar de slavernij: „Er werd goed geld verdiend met de handel in Afrikaanse slaven.” Hoe dan? Waar kwamen ze vandaan? Hoeveel bracht een slaaf op? Wat voor werk deden ze?

Zo’n karige verwijzing naar een belangrijke factor voor rijkdom doet geen recht aan de Nederlandse geschiedenis. Baldwin leert ons dat zowel wit als zwart afstammelingen zijn uit de slaventijd. Ons bloed is gemend geraakt, we hebben dezelfde voorouders en zijn van hetzelfde vlees en bloed. Een mooi uitgangspunt om elkaar als gelijken te benaderen.

Wanneer Baldwin zich afvraagt wat er van Amerika is geworden, moet ik denken aan hoe apathisch en onverschillig we hier ten opzichte van de ander staan. Hebben we echt dezelfde kansen, of kan dat ons niet zoveel schelen? Inmiddels is de formatie geklapt omdat het niet lukte en gemeenschappelijke basis te vinden voor de omgang met vluchtelingen.

Laten we het racismedebat à la Baldwin voeren, zodat we onze gesprekspartner echt zien, als mens. Vervolgens kunnen we onze positie onderzoeken. Blijkt dat er iets niet klopt in onze aannames, dan nemen we daarvoor verantwoordelijkheid.

Misschien moet ik het eens proberen. Zegt iemand tegen mij ‘Ik zie er geen kwaad in het woord zwartjes te gebruiken’, dan kan ik antwoorden: „Dat komt denk ik niet zozeer door je witte huid, als wel het gegeven dat je leeft in een wereld die zo gescheiden is van de mijne. Laten we daar iets aan doen.”