De duur van een seconde

Simon Garfield

Het nieuwe boek van deze geestige Brit bevat een reeks bespiegelingen over hoe we tijd ervaren en erdoor worden opgejaagd.

De tien uren-klok van kunstenares Ruth Ewan, naar het Franse plan om na de Revolutie van 1789 een tijdrekening volgens het tientallig stelsel in te voeren Foto Simon Garfield

Het ene ogenblik fietst Simon Garfield nog door Hyde Park. Het andere ligt hij met een verbrijzelde elleboog in het grind. Iemand stak over. Hij kon niet uitwijken.

Wat hij nog wel weet: dat de tijd in die split-second uitrekte. Dat komt hierdoor, leest hij na zijn operatie: bij een noodsituatie neemt een stukje van de hersenen het bevel over, en de massale indrukken van dat crisismoment worden zo intens bewaard dat de rest van het brein achteraf concludeert dat dat nooit in die paar seconden kan hebben gepast.

Garfields doodsmak is het vertrekpunt voor een reeks bespiegelingen over de tijd. De tijd die langs tikt in de apparaten waarmee we ons omringen, van telefoons tot magnetrons, en de wereldstandaardtijd, waarop beurzen en gps-satellieten draaien. En de tijd als vloeibaar, hoogstpersoonlijk fenomeen.

Natuurlijk had hij bij Einstein kunnen beginnen en de vraag waarom de tijd die ene kant op loopt en we ons het verleden herinneren in plaats van de toekomst. Maar Timekeepers – nu in vertaling verschenen als Tijdwachters – gaat minder over de tijd als abstracte dimensie dan over de vraag hoe wij de tijd ervaren, erdoor worden opgejaagd. Over onze wanhopige en hilarische pogingen er greep op te krijgen, het idee dat we er altijd te weinig van zullen hebben. En het verlangen de klok terug te draaien, dat ons soms overvalt, als individu en als de nostalgische, tijdzieke kudde die wij ook zijn.

Dit boek is allereerst een bundel verhalen. Want ‘een verhaal vertellen’, schrijft Garfield, ‘is de beste manier om de tijd betekenisvol te maken.’
Er is het verhaal van de Fransen die hun revolutie van 1789 ook aan de tijd oplegden, met een nieuwe kalender en maanden met drie weken van tien dagen. Het verhaal van de spoorwegdienstregeling, een negentiende-eeuwse nouveauté waarvoor in het hele land plots klokken gelijk moesten lopen.

Het verhaal van de man die als eerste een mijl binnen de vier minuten liep. Het verhaal van de tempi in de muziek – presto; andante, allegro ma non troppo – en de metronoom. Het verhaal van dat beslissende moment in Vietnam met het napalmmeisje. Er is het verhaal van de ouders uit een lied van Randy Newman, wier jonge zoon aan kanker stierf. Ze zeiden: we hebben familieleden verloren in de vernietigingskampen en daar zijn we uiteindelijk overheen gekomen, maar om dit te verwerken ontbreekt ons de tijd.

Simon Garfield blijft de meesterverteller die we kennen we uit On the Map (over cartografie) en To the Letter (over de brief). Als weinig anderen kan hij lastige kwesties overtuigend en luchtig terugbrengen tot een begrijpelijke kern. Neem de atoomklokken die iets uit de pas lopen met de astronomische tijd. Omdat de aarde steeds langzamer draait, moeten de atoomklokken af en toe gelijkgezet worden. Het gaat om fracties van fracties van een seconde. Maar, schrijft Garfield, ‘als er niets gedaan werd zouden we na honderdduizenden jaren de zon tijdens de lunch zien ondergaan.’

Het boek zit tjokvol met zulke prima zinnetjes, vaak ook in de vorm van een paradoxje. Over een Zwitsers polshorloge van een half miljoen euro dat ook kosmische bewegingen toont schrijft hij dat het de eigenaar ‘zowel gewichtig als nietig’ doet voelen. Over Nick Ut, die op 8 juni 1972 de foto nam waarop Kim Phúc naakt naar hem toe rende, schrijft hij dat die ‘in één klap zijn reputatie maakte en dreigde te verstikken’.

Na dit boek vergeet je niet meer waarom de eerste cd 74 minuten duurde (omdat een Sony-baas eiste dat er een bepaalde, trage uitvoering van Beethovens Negende Symfonie op paste). Er is een briljant hoofdstuk over de opkomst van het time-management en een over wat niet het tegendeel daarvan blijkt: de onthaastings- en welness-industrie. Garfield doet een cursus horlogemaken en ondergaat de tirannie van de lopende band in een autofabriek. Het is allemaal onderhoudend, maar houdt iets willekeurigs. Er kunnen moeiteloos hoofdstukken bij (over verteltijd in roman of film, bijvoorbeeld) en sommige hoofdstukken kunnen probleemloos gemist worden.

Zo blijft het ten slotte alleen een bundel verhalen, die je op een willekeurige plek kunt openslaan; momentopnamen die je niet dichterbij het mysterie tijd brengen. Al valt dat Garfield niet echt aan te rekenen. Augustinus van Hippo zei het al: ‘Maar wat is tijd? Als niemand het aan me vraagt, weet ik het. Als ik het wil uitleggen aan iemand die ernaar vraagt, weet ik het niet.’