Recensie

Milde afrekening met een kunstenaarsvader

Zap

De documentaire ‘Het Laatste Kunstje’ is een opmerkelijk dubbelportret van het kunstenaarsduo Paul en Menno de Nooijer.

Paul en Menno de Nooijer in ‘Het Laatste Kunstje’ (NTR).

Het oeuvre van het kunstenaarsduo Paul en Menno de Nooijer (sinds 1989) weerlegt overtuigend het misverstand dat animatiefilm een ander woord zou zijn voor tekenfilm. De stop-motiontechniek, die lang voor de komst van digitale toverdozen al beeld voor beeld achter elkaar zette, kan immers ook foto’s laten bewegen.

De documentaire Het Laatste Kunstje (Het Uur van de Wolf, NTR) put dankbaar uit de talrijke korte en lange films van de familie De Nooijer: een waar labyrint van projecties, collages en uitsneden. Hun gezamenlijke studio in een hofstede in Zuid-Beveland is een typisch familiebedrijf. Alleen zijn Paul (1943) en Menno (1967) geen broers, zoals een ander populair misverstand wil, maar vader en zoon. Moeder Françoise is naar eigen zeggen de laatste jaren wat minder in beeld, maar daar staat weer tegenover dat de nieuwe liefde van zoon Menno, Jacomien Kodde, met een frisse blik de camera ter hand neemt en in de door haar geregisseerde documentaire liefdevol, maar kritisch de samenlevende en -werkende grootfamilie onder het vergrootglas legt.

Het resultaat is onder meer een making of, een verslag van de opnamen van Pauls naar alle waarschijnlijkheid laatste project. Zoals eerder bijvoorbeeld Ed van der Elsken in Bye en Johan van der Keuken in De Grote Vakantie kan het afscheid alleen maar gevierd worden met een nieuwe film, waarin de kunstenaar naar zichzelf kijkt. Die blik is nuchter en direct, in de beschrijving van de consequenties van gevorderde prostaatkanker. In dit universum kan je eigenhandig het gezwel uit je lijf trekken en aan je hond voeren.

Kodde heeft ook veel aandacht voor de positie van de vrouw van de kunstenaar. Françoise zegt over haar man dat ze vooral in veel van zijn films voorkomt, omdat ze voorhanden was: „Hij weet wat hij wil. Hij weet het altijd beter. En dat is ook zo.” Als ze daar moeite mee zou hebben, dan was ze niet zo lang gebleven.

Maar ook de relatie tussen vader en zoon is niet zo vanzelfsprekend als het altijd leek. Vanaf zeer jonge leeftijd was Menno in de films van zijn vader te zien. Hij noemt zijn vader meer een vriend dan iemand tegen wie hij zich ooit heeft afgezet. En misschien had hij dat wel moeten doen, want anders kun je nooit een eigen leven gaan leiden.

Ook Frans Zwartjes (1927), Pauls leermeester en voormalige co-regisseur, op bezoek in Zeeland, geeft toe dat hij Menno wel eens had geadviseerd vooral alleen zijn eigen films te maken. De zoon zegt nu vrij eerlijk dat hij zich er wel op verheugt om binnenkort te kunnen leven en werken zonder zijn vader. Het is net zo’n onsentimentele uitspraak als de gesprekken die zij samen voeren over de manier waarop Pauls naderende dood in een film verwerkt kan worden. Er zijn prachtige impressies van opnamen in IJsland van een liggende, als heer verklede vader die wordt gefotografeerd door de zoon. En ze bestellen samen een lijkkist, waarin de vader kan gaan liggen, maar ook digitaal geprojecteerd kan worden. „Misschien kunnen we die dan wel aftrekken als bedrijfskosten”, grapt Paul.

Het is een opmerkelijk dubbelportret geworden, alleen al om de selectie uit het eerdere werk en de ontroerende reünie met Zwartjes zeer de moeite waard. De kritiek op het heilig vuur van een kunstenaar, die zijn omgeving min of meer incorporeerde in zijn artistieke universum zonder altijd goed te zien wie ze werkelijk waren, past in een bescheiden actuele trend van enigszins teleurgestelde kinderen van iconen van de rebelse kunstenaarsgeneratie. Deze opstand is nog tamelijk mild.