Recensie

Alleen het alledaagse brengt redding

Megan Hunter

In de categorie ‘klimaat-fictie’ debuteert deze Britse dichteres met een roman over het door water verzwolgen Londen, met alle rampspoed van dien voor een moeder en kind.

Illustratie Martien ter Veen

Op het oog lijkt de jonge Engelse dichter Megan Hunter (1984) met haar debuutroman Het eind is ons begin een rijk recept in handen te hebben: dystopische klimaatfictie (cli-fi, zoals het label wil) waarin moederschap het hart van de vertelling vormt. Een vertelling, bovendien, waarin Britten, die zo enthousiast vanuit xenofobe aanvechtingen voor Brexit hebben gestemd, vluchteling in eigen land zijn geworden, overgeleverd aan de grillen van het lot.

Het eind is ons begin wordt verteld door een naamloze vrouw die met haar geliefde R en haar pasgeboren kind Z op de vlucht slaat nadat Londen is ondergelopen. Een plausibel scenario, want de Engelse hoofdstad ligt in een vallei, nabij de monding van de Theems. De stad wordt beschermd door de Thames Barrier, die niet kan voorkomen dat er een lange lijst van risicogebieden bestaat: van de Houses of Parliament tot Canary Wharf, van Kew Gardens tot een half miljoen woningen, van de ondergrondse tot acht energiecentrales.

Niet dat Hunter aan deze achtergronden woorden vuil maakt. In tegenstelling tot andere klimaat-fictie laat dit boek enkel gevolgen en menselijke reacties zien, waarmee Hunter raakt aan de essentie van de vluchtervaring: verwarring, angst, onzekerheid. Zoals ze ook in aanpak afwijkt van cli-fi als J.G. Ballards The Drowned World (1962) en The Burning World (1964), Margaret Atwoods The Year of the Flood (2009) of Kim Stanley Robinsons onlangs verschenen New York 2140, waarin New York is verzwolgen door de zee. Hunter kiest voor ultrakorte alinea’s, in een suggestieve, poëtische taal. Voor gevoel boven informatie.

Nieuwe gemeenschap

Het jonge gezin trekt weg uit de stad, belandt in een kamp, raakt gescheiden van elkaar. Waarna moeder en zoontje een nieuwe gemeenschap vinden, weg van het Britse vasteland. Dat land is sociaal ontwricht geraakt en in oorlog vervallen, zo lijkt het. Want: ‘Na de vloed het vuur.’ Ondertussen probeert de moeder de eerste schreden van Z in goede banen te leiden. Zo wordt er een brug naar de toekomst gelegd.

Ondanks dit intrigerende uitgangspunt (en de buzz op literaire beurzen) kent Het eind is ons begin helaas een aantal problemen, voortvloeiend uit opzet én uitvoering.

Wanneer je het aandurft een korte roman te construeren uit dito poëtische passages, zoals Cynan Jones deed in Inham, moet elk woord raak zijn. Hunters proza is wiebelig van stijl – voltreffers en missers wisselen elkaar in rap tempo af. Ik heb moeite met gezochte beelden en lelijke zinnen als ‘R staat in de kamer als een man met een machinegeweer in een tienerkamer rond middernacht.’ Of: ‘Ze hebben vlekken van jeugdpech.’ (Hier helpt de vertaling qua klank niet mee, want ‘jeugdpech’ klinkt als een haperende startmotor: g, g.) De aanzegging van het vertrek is teruggebracht tot een plat: ‘Hij schreeuwt dat we moeten vertrekken, meteen.’ Dat vertrek gaat vervolgens zo snel dat ze zelfs vergeten luiers mee te nemen. ‘De stapel in de kast die met de dag kleiner werd, als een kind in zijn achteruit. Ik heb ze achtergelaten.’ Ik snap dat een kind in zijn achteruit kleiner wordt, maar wat is de verdiepende laag?

Ook had ik moeite met de keuze alle personages aan te duiden met slechts een hoofdletter: R, N, Z, C, B, W, F, O. Het voornaamste gevolg is dat je stil gaat staan bij die letters en op het artificiële van de tekst wordt geattendeerd. Zijn dit de beginletters van hun feitelijke namen? Dan is het wel heel toevallig dat elk personage een naam heeft die begint met een andere letter. Is het om te veralgemeniseren? Of hebben de letters een betekenis? Dat de laatstgeborene Z wordt genoemd, zou daar op kunnen duiden, maar in de andere letters is geen lijn te ontdekken. Rest het vermoeden van literaire aanstellerij.

En dan is er nog de uitwerking van het thema moederschap.

Doorleven

In een essay voor The Times Literary Supplement omschrijft Hunter de centrale vraag van dystopische fictie, en cli-fi in het bijzonder, als volgt: ‘Als het ergste gebeurt, wat rest ons? Hoe kunnen we doorleven?’ Het antwoord, schrijft ze, kan deels op onverwachte plekken gevonden worden, en dat is wat Hunter met Het eind is ons begin beoogt. ‘In het kleine alledaagse van de verteller die voor haar kind zorgt, bijvoorbeeld, wanneer de meeste maatschappelijke voorzieningen die bij „ouderschap” horen verdwenen zijn, en in de geleidelijke groei van een persoon in het zachte, slaperige lichaam van de nieuwgeborene, ondanks de rampspoed die hem omgeeft.’

Ondanks die rampspoed omschrijft de verteller haar zwangerschap als ‘het grote avontuur. De grote heldendaad.’ En ja, soms weet Hunter het kleine alledaagse bij de lurven te grijpen. ‘Z vindt het fijn als L hem onder zijn oksels optilt, zodat zijn ronde buik naar buiten puilt als bij een monnik. Hij graaft zijn tenen in het zand en schijnt zijn glimlach in mij.’ Maar het blijft meestal erg schetsmatig, steriel, op afstand. Te universeel om te prikkelen. Het eerste tandje (‘het wachtende heuveltje dat eindelijk is doorgebroken’), de eerste keer staan, het zogen, de band met andere moeders. Ik las in elk geval recent veel indringender over zwangerschap, geboorte en moederschap bij Maggie Nelson, wiens De Argonauten een lading heeft die dit boek ten ene male mist.

Het eind is ons begin is conceptueel interessant, maar de vertaalslag naar een levende romanwereld is niet gelukt. Zoals veel romanschrijvers nog geen dichters zijn, blijkt deze dichter vooralsnog een gemankeerde romanschrijver.