Cultuur

Interview

Interview

‘41 graden onder nul. Dan moet je oppassen’

Bernice Notenboom

Ze is net terug van een expeditie naar de Noordpool, waar de opwarming sneller gaat dan waar ook. “Het ijs drijft als een gek.”

Bernice Notenboom is er al. We hebben afgesproken in het hoofdkantoor van energiebedrijf Eneco in Rotterdam. Ze zal er straks een lezing geven. Over de Noordpoolreis die ze net heeft afgerond, over de opwarming van de aarde, maar ook over afzien en doorzettingsvermogen. Nu probeert ze een simpel toegangspasje te regelen. Een baliemedewerker vraagt voor de vierde keer haar naam, en voor wie ze ook alweer komt. „Dit vind ik dus pas echt afzien”, zucht ze. „De regeltjes, en het geneuzel, waar je je hier druk om moet maken. Dit is niet mijn wereld.”

Zoals Notenboom zijn er niet veel. Ze stond als eerste Nederlandse vrouw op de zuidpool. Als eerste vrouw ter wereld probeerde ze van de noordpool naar Canada te skiën, een tocht van 800 kilometer. Dat is haar wereld. Het eindeloze wit, de leegte, de stilte. De kou ook, het afzien.

Haar laatste expeditie, afgelopen april, was een weerzien met het noordpoolgebied. Een somber weerzien. Het is de plek op aarde waar de opwarming het snelst gaat, en het ijs snel verdwijnt. Ze nodigde 66 bazen van grote Nederlandse bedrijven uit op Spitsbergen om het met eigen ogen te komen zien. En om hen aan te sporen actie te ondernemen tegen de opwarming. Het trok veel media-aandacht.

En nu is ze dus terug in die drukke wereld. „Toen ik afgelopen vrijdag vanuit Spitsbergen in Oslo landde, was het een gekkenhuis. Iedereen wilde me spreken. Ik ben een paar dagen gevlucht naar mijn zus in België.”

Een medewerker van Eneco leidt ons naar een soort bioscoopzaal. Hier zal Notenboom straks spreken. Hij laat ons alleen, waarna Notenboom vertelt over haar „poolvirus”, vooral voor het arctisch gebied. „De Zuidpool is heel anders, bijna saai.” We spreken over de aantrekkingskracht van die extreme gebieden, en waarom ze zichzelf pijnigt om ze te bezoeken. Over de opwarming van de aarde, die juist in het noordpoolgebied zichtbaar en dramatisch is. En over haar anders zijn.

Notenboom vertelt dat ze thuis in het Canadese Fernie een oude foto heeft hangen van een groep rijke lui op kamelentocht. „Je ziet een vrouw met handtas en nylonkousen. Totaal onaangepast. Haar blik is super recalcitrant. Daar hou ik van.”

Lees ook een portret van Bernice Notenboom uit 2015: ‘Ik ben in het verkeerde land geboren’

In je boek Tegenpolen beschrijf je hoe je na elke expeditie tijdelijk in een soort trance raakt. Dat je weg bent van de wereld. Maar dat je daarna ook weer snel onrustig wordt, en een volgende expeditie zoekt. Hoe is dat nu?

„Zo onrustig ben ik niet meer. Gelukkig worden we allemaal wat ouder en wijzer. Ik zoek nu meer de rust op.”

En die vind je op de Noordpool?

„Die enorme problemen door de opwarming van de aarde zitten steeds in mijn hoofd. Ik lees erover, schrijf erover, maak er films over. Ik weet precies hoe het tien jaar geleden op de Noordpool was, vijf jaar geleden, drie jaar geleden. Je ziet de veranderingen. Je probeert de puzzelstukjes, al die data, in elkaar te passen. Dat raast allemaal door je harses. En dan ben je daar en stopt het even. Alles valt van je af. Die stilte, die leegte. Je ademt, en gaat de dialoog met het ijs aan.”

Een dialoog met het ijs? Hoe?

„Je vraagt de Noordpool letterlijk om er te mogen zijn. En je vraagt je af: kan ik de test doorstaan om op jouw ijs te mogen skiën? Het is ook een wedstrijd met mezelf: kan ik het aan? Ik heb dit keer echt geleden. Ik heb bevriezingen. Mijn tenen werken niet. In mijn vingers heb ik geen gevoel. Ik heb een enorme infectie op mijn lip. Daar moet ik voor naar het ziekenhuis, die moet weggesneden worden. Ik ben echt aangetast door die Noordpool. Tegelijkertijd is het zo prachtig. Er is niks van geur. Het is ook de simpelheid van het leven. Je moet eten en drinken, en warm en veilig blijven. De rest is onbelangrijk.”

Je moet eten en drinken, en warm en veilig blijven. De rest is onbelangrijk

Je moet tijdens poolreizen heel veel eten, zodat je lichaam op temperatuur kan blijven bij die kou.

„Dat zou je moeten doen, maar dat doe ik niet.”

Dan val je veel af.

„In deze laatste expeditie zo’n zeven kilo in twintig dagen. In 2014 skiede ik vanuit de noordpool naar Canada. Dat was een lange trip. Toen ben ik vijftien kilo afgevallen. Het wordt trouwens steeds lastiger dit soort reizen te maken. Het ijs wordt snel dunner. Je vindt amper meer piloten die je op het ijs willen afzetten, en je weer willen ophalen. Ja, misschien de Russische nog. Dat zijn echte macho mannen.”

Is de laatste expeditie geslaagd?

„Op die verschrikkelijke kou na wel. Toen we begonnen was het 41 graden onder nul. Dan moet je echt oppassen. Je tentstokken breken zo, rubber verpulvert. Voor de branders hadden we zes pompjes bij ons. Drie gingen er meteen kapot. We dachten: het zal ons niet gebeuren dat we meteen moeten evacueren. Wat een afgang zou dat zijn. We hebben de pompjes onder de oksels de hele nacht warm gehouden. We hebben niet gegeten, niet gedronken. We zaten te koukleumen in onze slaapzakken. Maar de volgende ochtend konden we de branders gebruiken. Gelukkig werd het weer daarna beter.”

Dat klinkt niet zo geslaagd.

Ze lacht. „Het is vooral geslaagd omdat ik voor het eerst zo uitgebreid heb geholpen met wetenschappelijk onderzoek. Voor de NASA hebben we de dikte van de sneeuwlaag op het zee-ijs gemeten. Dat moet je weten om te bepalen hoe snel het ijs smelt. We zaten aan de Russische kant van het Noordpoolgebied, we waren vanaf Frans Jozef Land naar de 88ste breedtegraad gebracht. De NASA had voor het eerst toestemming gekregen van de Russen om hun kant van het arctisch gebied in kaart te brengen. Wat we nu weten is dat het zee-ijs daar bijna overal maar 50 centimeter tot een meter dik is.”

Twee jaar geleden zijn twee Nederlandse poolreizigers in het arctisch gebied omgekomen omdat het zee-ijs dunner was dan gedacht.

„Dat is appels met peren vergelijken. Marc en Philip waren in een ander gebied, en ze waren er later in het jaar, met warmer weer. Het grootste gevaar voor ons waren de ijsberen. Vroeger kwamen die maar tot de 82ste, 83ste breedtegraad, nu veel hoger. Dat komt doordat de Atlantische Oceaan met zijn relatief warme water steeds verder binnendringt. Er is meer open water. Daardoor komen de zeehonden steeds hoger. En de ijsberen volgen de zeehonden.”

Zijn jullie ijsberen tegengekomen?

„Wij niet, maar een andere expeditie wel. Hun sleeën zijn opengescheurd en geplunderd. Ze stonden op vijftien meter van de beren.”

Je schrijft in Tegenpolen dat je nogal slordig bent. Had je daar nu last van?

„Ik ben van nature niet zo netjes. Het is een strijd mijn slee goed in te pakken, zodat ik meteen weet waar ik iets kan vinden. We moesten nu vaak stoppen om een lawinesonde in het ijs te prikken, en de sneeuwdikte te meten. Ik had in mijn borstzak een notitieblok en een potlood. Maar ik had er niet over nagedacht dat het lastig schrijven is met die dikke handschoenen. De handschoenen moesten vijf keer per dag uit.”

Ze tilt haar linkerhand op en wijst naar de bruine vlekken onder haar nagels. „Dan krijg je dit soort bevriezingsverschijnselen. Tsja, we zijn allemaal mensen.”

Zijn er ook dingen waarin je uitblinkt?

„Ik ben goed in de zakelijke kant. Het organiseren en regelen van zo’n expeditie. Deze reis kostte 250.000 euro. Ik heb er 22 sponsoren voor weten te vinden. En eenmaal op expeditie kan ik heel goed doorgaan. Ik ben een buffel. Niks overvalt mij.”

Bernice Notenboom beklom op haar veertiende al bergen in de Alpen. Ruim tien jaar later, toen ze in de Verenigde Staten studeerde, had ze er een zomerbaantje bij een reisbureau en was ze voor het eerst verantwoordelijk voor een groep. „We werden gedropt in the middle of nowhere in Utah.” Ze hadden, naar later bleek, oude kaarten bij zich. Op de plek waar een waterput zou zijn, was alleen een opgedroogd gat. „We zijn ’s nachts gaan lopen en overdag gaan slapen. We zochten katoenbomen op, daar vind je water diep onder de wortels. Dat heeft een paar dagen geduurd. We hebben het gered. Ik was trots op mezelf. Maar ik leerde ook nooit meer met oude kaarten op pad te gaan.”

Ze reisde daarna door Pakistan, door woestijnen in Saoedi-Arabië en Jemen, door Mongolië. „Ik vind het interessant te zien hoe mensen in een harde omgeving proberen te overleven.” In 2000 kreeg het „poolvirus” haar te pakken. Ze was in het hoge noorden van Canada op een maandlange kayaktocht met een Inuit. „We jaagden zelf en aten vooral narwal. De huid bevat veel vitamine C en smaakt een beetje naar citroen.” De reis maakte diepe indruk op haar. „Ik dacht, dit is zo mooi.”

Mooier dan de woestijnen?

„Je hebt voor allebei overlevingstechnieken nodig. Maar ik denk wel dat het in de woestijn makkelijker is te overleven.”

Heb je je wel eens in levensgevaarlijke situaties begeven?

In de Himalaya ben ik in een gletsjerspleet gevallen. Toen heb ik moeten vechten voor mijn leven. In Siberië ben ik een keer door het ijs gegaan. Ik ben steeds gered. Ik heb een aantal near misses gehad. Vooral sneeuwlawines die langs me heen raasden.”

Waarom zet je je leven op het spel?

„Het is voor mij noodzaak om in die gebieden te kunnen zijn. Dat staat boven alles. Maar ik bereid mij wel goed voor: verzekeringen, een tracking device, een base camp manager… Wat niet wegneemt dat je soms pech kan hebben. De grootste hedendaagse bergbeklimmer, de Zwitser Ueli Steck, is vorige maand overleden in de Himalaya. Hij was aan het wandelen, struikelde en viel duizend meter naar beneden.”

Je zet je ook in voor het klimaat. Wanneer begon dat?

„In 2007 zat ik een week vast op het Russische onderzoeksstation Barneo. Daar waren allerlei wetenschappers, waar ik toen eindeloos mee heb gepraat. Toen viel het kwartje: mijn wereld gaat verdwijnen!”

Waarom wil je niet met klimaatsceptici praten?

Verontwaardigd: „Ja, dat staat op mijn wiki-pagina, maar die heb ík niet geschreven. Hij is ooit door iemand aangemaakt, geen idee wie.”

Ik pak een boek uit mijn rugzak: A farewell to ice, van de gerenommeerde Britse poolonderzoeker Peter Wadhams. Hij schrijft dat het arctische gebied in de zomer misschien binnen enkele jaren al ijsvrij is. Maar dat strookt niet met de meeste computermodellen, die zo’n situatie ‘pas’ voor over een jaar of 25 voorspellen. Notenboom omschreef het boek in het tv-programma De Wereld Draait Door als de bijbel voor de noordpool.

Foto: Merlijn Doomernik

Is dat niet alarmerend?

„Ik zeg niet dat hij gelijk heeft, maar ik vind het wel fijn dat hij het zegt. Volgens mij weten we het gewoon niet. Want wat doen die modellen? Ze gooien alle data bij elkaar en dan komt er voor 2030 of 2050 een getal uit. Maar we zien intussen verschijnselen waar de modellen geen rekening mee houden.”

Welke?

„Dat de warmte van de Atlantische Oceaan de Noordpool penetreert. Waar we ook nog maar weinig over weten is de golfactiviteit en de invloed op het smelten van zee-ijs. Het gebied verandert, en het gaat snel. Dat is wat ik zie, aan de grond. Van de 300 kilometer die ik nu heb geskied, waren er minstens 150 op relatief dun, eenjarig ijs, met open water. Het ijs drijft als een gek. Vorige week in Spitsbergen was de oceaan 4 graden. Dat is niet normaal.”

Je hebt op Spitsbergen 66 bazen van Nederlandse bedrijven rondgeleid. Heeft dat gewerkt?

„Dat denk ik wel. We hebben ze van het comfort van het schip zo op het ijs gezet. Met verhalen van wetenschappers erbij. Dan komt het wel binnen. Ze hebben ontberingen gevoeld. Nou ja, het was 5 graden onder nul. Kinderspel. Haha. Maar voor hen waren het ontberingen. Ze moesten sneeuwschoenen aan, en hebben toch een uur of drie, vier gewandeld.”

Wordt er voldoende tegen klimaatopwarming gedaan?

„Het gaat langzaam. Maar neem het Rotterdamse Havenbedrijf. 19 procent van de Nederlandse CO2-uitstoot komt er vandaan, en ze willen de groenste haven ter wereld worden. Ik ben voor mijn film Sea Blind in veel havens geweest. Rotterdam neemt echt het voortouw, met Hamburg en Long Beach. Het Havenbedrijf was met drie mensen op Spitsbergen. Ze hebben wel ballen. Ze hadden ook nee kunnen zeggen, zoals Shell deed.”

Wanneer is je volgende expeditie?

„Ik denk dat ik in november naar Antarctica wil. Vanaf de noordkust naar de zuidpool skiën. Deels met kites. Het Alfred Wegener Instituut heeft er een station, wellicht kunnen we iets samen doen. Het schijnt daar fantastisch mooi te zijn. En verder zit ik ook te denken aan een grote oversteek op de Groenlandse ijskap.”

In Tegenpolen beschrijf je hoe je je thuis in Fernie voorbereidt op expedities. Het boek verscheen in 2010. Heb je nog dezelfde aanpak?

„Ja, je moet zoveel mogelijk de situatie nabootsen waarin je terecht gaat komen. Bij mij thuis kan het ook heel koud zijn, en er valt regelmatig sneeuw. Pas nog een meters dik pak. Achter mijn huis zijn bergen. Dan ga ik zware autobanden naar boven slepen. Vijf, zes uur per dag.”

Zijn er andere vrouwen zoals jij?

„Niet veel. Ik vind het ongelooflijk dat ik in Nederland geen opvolgster heb.”

Het is een mannenwereld.

„Totaal. De poolreizigers, maar ook de onderzoekers.”

Misschien zijn vrouwen minder dan mannen bereid om zulke risico’s te nemen?

„Nee, vrouwen mijden de kou.”