Column

Wonderschone schijn

Op safari door de Rotterdamse haven (ja, dat kan!) stond ik versteld van al het onverwachte natuurschoon tussen al die kranen, zeeschepen en fabrieken. Van de zeehondjes op ‘Robbeneiland’, luierend op het zandstrandje in de Maasmond. Of de splinternieuwe vogelvallei op de Maasvlakte, ook zo mooi. En de meeuwen op de Kop van de Beer, met 25 duizend broedende paren de grootste meeuwenkolonie van Nederland. Zo veel zelfs dat omliggende bedrijven sinds kort een robotvalk (drone) inzetten om ze van hun haventerreinen te verjagen. Ook zag ik wilde orchideeën en zochten we naar zeldzame kogelspinnen, ooit meegekomen met een lading basaltblokken uit Zuid-Europa.

Maar hoe prachtig en bijzonder het allemaal ook was, die penetrante lucht van de petrochemische industrie bracht me weer bij zinnen. De water- en luchtkwaliteit mag vergeleken met de jaren tachtig dan wel aanzienlijk verbeterd zijn, de Rotterdamse haven is nog altijd een van de grootste vervuilers van ons land. En dan heb ik het niet eens over de stank, maar vooral over het onzichtbare en geurloze CO2 dat er in megatonnen wordt uitgestoten. Bijna 20 procent van de landelijke CO2-uitstoot komt van de Rotterdamse haven. Al bijna 10 jaar lang wordt gepraat over het terugdringen ervan, maar de uitstoot is in die periode alleen maar toegenomen, deels door de komst van twee nieuwe kolencentrales.

Rotterdam werkt inmiddels hard aan verduurzaming van de haven, maar het behalen van de Parijse klimaatdoelstellingen lijkt hier wel erg hoog gegrepen. De haven draait bijna volledig op fossiele brandstoffen en Havenbedrijf Rotterdam wil de transitie naar schone energie slechts stapje voor stapje laten plaatsvinden, tot ergernis van veel klimaatactivisten. Een eerste stap is de aanleg van een gigantisch warmtenet (hergebruik van restwarmte uit de industrie voor kassen en huishoudens) en het stimuleren en faciliteren van verduurzaming. Maar de vervuilende kolencentrales kunnen voorlopig hun gang gaan. Zolang de Haagse politiek geen beslissing heeft genomen over een definitieve sluitingsdatum, zullen ze – begrijpelijk - niet investeren in CO2-afvang.

Ook andere, grote vervuilers in de haven worden niet weggejaagd of gedwongen hun deuren te sluiten, maar aangemoedigd om zelf met duurzame oplossingen te komen. Directeur van het Havenbedrijf, Allard Castelein, bezocht begin deze maand (samen met andere bedrijven) Spitsbergen om met eigen ogen de gevolgen van de klimaatverandering te aanschouwen. Gaat hij, met de smeltende gletsjers op zijn netvlies, de vervuilers in de haven nu harder aanpakken? Nee, want hij heeft er simpelweg de wettelijke mogelijkheden niet toe. Het wachten is op een klimaatwet voor de langere termijn, waarmee overheid en bedrijven de komende decennia uit de voeten kunnen. Pas dan durven bedrijven te investeren in energietransitie en kan de overheid ingrijpen als ze niet willen meewerken.

Een échte groene haven vraagt dus om lef en nog meer geduld. En vooral om een regering die, ook zonder Groen Links, het abstracte klimaatakkoord omzet in duidelijke regels en wetten. Want die zeehondjes en orchideeën in de haven zijn leuk misschien, maar niks meer dan wonderschone schijn.

(@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.