Recensie

Het fiasco van de creatieve stad

De vermaarde stadsgeograaf Richard Florida doet boete over zijn verwachtig dat de opkomst van een ‘creatieve klasse’ grote steden zou doen bloeien als nooit tevoren. Integendeel, er doet zich nu wereldwijd een Grote Stedelijke Crisis voor.

Hij heeft zich vergist, geeft stedengoeroe Richard Florida (1957) ruiterlijk toe in de inleiding van The New Urban Crisis. Dertien jaar geleden werd de Amerikaanse stadsgeograaf beroemd met The Rise of the Creative Class. Hierin beschreef hij hoe in de jaren negentig van de twintigste eeuw een nieuwe klasse ‘creatievelingen’ was ontstaan, naast de slinkende arbeidersklasse en de werknemers in de traditionele dienstensector. In de nabije toekomst zou de ‘creatieve klasse’, die in het begin van de 21ste eeuw al dertig procent van de Amerikaanse beroepsbevolking omvatte, verder in omvang toenemen, zo voorspelde hij, en dit zou grote gevolgen hebben voor de steden in de VS en Europa. Want de hoog opgeleide creatievelingen houden er een losse, bohemienachtige leefstijl op na die het best past in dichtbebouwde stadswijken met theaters, galeries en hippe winkels, clubs en horeca. De grote steden, die vooral in de VS een halve eeuw eerder in een crisis waren gestort door de vlucht van centrumbewoners naar suburbia, konden daarom een gouden toekomst tegemoet zien. Als ze de creatieve klasse de ruimte gaven, zouden ze bruisende centra van innovatie, creativiteit en welvaart worden.

Hoewel er kritiek kwam op bijvoorbeeld Florida’s brede en vage definitie van de creatieve klasse – creatievelingen werken niet alleen in de kunst- en cultuursector en de media, maar ook in de wetenschap, ICT en zelfs bij banken en advocatenkantoren –, hingen de gemeentebesturen aan zijn lippen. De ‘creatieveling’ werd het troetelkind van de grotestadsbestuurders, niet alleen in de VS maar ook in Europa. Zelfs in Nederland, met zijn traditie van sociale-woningbouw in grotestadscentra, deden steden als Rotterdam en Amsterdam hun best om de ‘creatieve industrie’ aan te trekken.

Salongeograaf

Illustratie Olivia Ettema

Maar nu blijkt Florida, die onlangs door zijn Nederlandse collega Ewald Engelen in De Groene Amsterdammer nog voor ‘salongeograaf’ werd uitgemaakt, van zijn geloof in de ‘creatieve stad’ te zijn gevallen. Hij was veel te optimistisch in The Rise of the Creative Class, bekent hij. Dit betekent nog niet dat hij het begrip ‘creatieve klasse’ in de vuilnisbak heeft gegooid: ook in The New Urban Crisis spelen creatievelingen de hoofdrol. Alleen blijken ze dit keer wolven in schaapskleren en hebben ze de grote steden niet het heil gebracht dat Florida voorzag. Zeker, zelfs New York, dat in de jaren tachtig nog een vervallen, bijna failliete metropool was, behoort nu, met onder meer Los Angeles, San Francisco, Londen en Parijs, tot het selecte gezelschap ‘superstersteden’ die worden gedomineerd door de creatieve klasse. Maar oude industriesteden als Detroit en Cleveland hebben nauwelijks geprofiteerd van de creatievelingen en zijn nog altijd armetierige plaatsen met hoge werkloosheid, veel armoede en wijken die eruit zien alsof ze zijn gebombardeerd.

Bovendien hebben ook de superstersteden hun keerzijden. Voor de arbeiders- en middenklasse zijn de aantrekkelijke buurten in de ‘creatieve steden’ onbetaalbaar geworden. San Francisco is door de vele techbedrijven en het nabije Silicon Valley zelfs in zijn geheel onbereikbaar geworden voor San-Franciscanen die in de dienstensector werken. Die zijn voor hun huisvesting nu aangewezen op de voorsteden die ver van San Francisco liggen.

Aan de hand van een groot aantal statistische gegevens over steden, bevolkingsgroepen en inkomens, die in saaie passages worden opgesomd, laat Florida zien dat niet alleen in de supersterren, maar ook in steden waar de huizenprijzen minder sterk zijn gestegen, de verschillen tussen arme en rijke wijken zijn toegenomen. Dit komt doordat in de ‘creatieve economie’ winner-takes-all geldt: hoog opgeleide ‘kenniswerkers’ in de creatieve sector kunnen vaak rekenen op hoge inkomens, maar werknemers in de traditionele dienstensector zijn de afgelopen laatste twee decennia steeds minder gaan verdienen. Na de arbeidersklasse erodeert nu de middenklasse in hoog tempo in de Amerikaanse steden, waardoor, voor het eerst in de geschiedenis van de VS, ook suburbia, van oudsher oorden van stabiliteit en welvaart, in een crisis raken.

Segregatie

Ook de segregatie is in de afgelopen twintig jaar toegenomen. De komst van de creatievelingen naar de binnenstadsbuurten heeft de andere klassen naar goedkopere wijken verbannen. Zo zijn veel steden steeds verder verwijderd geraakt van het klassieke ideaal van de ‘ongedeelde stad’ waar arm en rijk en zwart en wit naast en door elkaar wonen. In het neoliberale tijdperk hebben veel steden zich ontwikkeld tot patchwork cities, stelt Florida vast, lappendekensteden waar de verschillende klassen en bevolkingsgroepen wonen in afzonderlijke, scherp begrensde stadsdelen die in welvaart en aanzien sterk van elkaar verschillen.

Richard Florida weet zeker dat radicale deregulering geen bruisende en creatieve steden zal opleveren

In zijn onderzoek richt Florida, nu hoogleraar aan de Universiteit van Toronto, zich vooral op Amerikaanse en Canadese steden. Maar ook in Europese steden doen gentrification (het overnemen van oude middenklasse- en arbeidersbuurten door bewoners met hoge inkomens) en segregatie zich steeds meer voor. Zo zijn in Amsterdam de afgelopen twintig jaar de 19de-eeuwse wijken als De Pijp, die een halve eeuw geleden nog op de nominatie stonden om te worden gesloopt, ‘gegentrificeerd’. Onlangs verscheen een rapport van de Nederlandse Bank waarin werd vastgesteld dat woningen in de grote steden zo duur zijn geworden dat ze buiten het bereik van de middenklasse zijn geraakt. Een kwart van de woningen in Amsterdam wordt nu zonder hypotheek gekocht, wat er op duidt dat ze de prooi zijn van beleggers en speculanten die ze vervolgens tegen voor leraren, politieagenten en andere middenklassers veel te hoge prijzen verhuren of verkopen.

Ook in niet-westerse landen doet de nieuwe stedelijke crisis zich voor, maakt Florida duidelijk. Nu al woont meer dan de helft van de wereldbevolking in steden, en vooral plattelanders in Afrikaanse en Aziatische landen trekken in groten getale naar de stad. Daar komen ze steeds vaker terecht in geïsoleerde krottenwijken waar het een dagtaak is om het hoofd boven water te houden en de kans op werk klein. Historisch gezien is de groei van steden in Europa en de VS altijd gepaard gegaan met economische groei, maar veel ontwikkelingslanden kennen nu een verstedelijking zonder welvaartsstijging. ‘Voor 1 miljard mensen is verstedelijking een totale mislukking’, stelt Florida vast. Niet dat dit de trek naar de stad zal doen afnemen, voegt hij hier aan toe. Want het alternatief, leven op het platteland, is nóg beroerder.

Gebrek aan kennis

Hoe de verstedelijking weer een bron van welvaart kan worden, weet Florida niet precies. Dit komt mede doordat ‘urbanisme’ een discipline is met een groot gebrek aan kennis over wat wel en wat niet werkt, legt hij uit. Zo ziet een toenemend aantal ‘urbanisten’, blijkbaar nog altijd in de ban van het neoliberalisme, de oplossing voor veel grotestadsproblemen in de afschaffing van voorschriften en regels in de ruimtelijke ordening en bouw. Maar het is volgens Florida zeker dat dit geen bruisende en creatieve steden zal opleveren. Radicale deregulering betekent in de stedenbouw meestal het ‘slachten van de kip met de gouden eieren’, weet hij. Want in dichtbebouwde, dure steden leidt bouwen zonder regels al gauw tot hoge torens – wolkenkrabbers zijn tenslotte ‘machines die betalen voor de grond’, zoals hoogbouwpionier Cas Gilbert, de architect van het Woolworth-toren in New York, al in 1900 zei. ‘Maar de innovatiefste plekken zijn niet de wolkenkrabberwijken en de verticale sprawl van Hong Kong of Singapore’, schrijft Florida alsof hij de gemeente Amsterdam wil waarschuwen die een paar maanden geleden plannen presenteerde voor de bouw van 28 torens op een klein terrein aan het IJ. ‘De innovatiefste buurten zijn niet de deadened condo districts, maar de vroegere industriële wijken van New York, San Francisco en Londen, waar halfhoge gebouwen, fabrieken en pakhuizen en spaarzame hoogbouw staan opgesteld langs straten die voortdurende menging en interactie bevorderen. Zoals Jane Jacobs al zei: „Als de schaal van de voetganger afwezig is, kan dichte bebouwing big trouble betekenen.” ’

Toch doet Florida ten slotte zeven voorstellen om de nieuwe stedelijke crisis te bezweren. Ze variëren van een belasting op de bouwgrond (een soort erfpacht) tot het bouwen van betaalbare woningen voor de midden- en arbeidersklasse en van verhoging van lonen in de dienstensector tot de invoering van een basisloon

Florida maakt zich geen illusie dat zijn pleidooi voor de optuiging van de goede, oude verzorgingsstaat even veel effect zal hebben als The Rise of the Creative Class. Toen hij aan The New Urban Crisis begon, verwachtte hij dat Hillary Clinton de Amerikaanse presidentsverkiezingen zou winnen en kon hij hopen dat hij enig gehoor zou vinden bij haar Democratische regering. Maar tot zijn verbijstering is Donald Trump nu president. En hoewel de vastgoedmagnaat zegt op te komen voor de verarmende middenklasse en de arbeiders die de fabrieken zagen verdwijnen naar lage-lonenlanden, weet Florida dat Trump niets zal zien in zijn voorstellen.

Zo eindigt The New Urban Crisis zwaar in mineur. ‘De nieuwe stedelijke crisis is een historische waterscheiding’, schrijft Florida. ‘En als we niets doen, wordt de crisis dieper. Dan zal de kloof tussen de winnaars in de winners-takes-all-economie en de rest groter worden en dan worden onze superstersteden zo duur dat ze in vergulde gated communities veranderen.’ En al beweert Florida dat hij optimistisch blijft, de enige hoop die hij de lezer biedt is dat hij het met The New Urban Crisis, net als dertien jaar geleden met The Rise of the Creative Class, bij het verkeerde eind heeft.