Recensie

Wat moet die reusachtige fantasiekat hier?

Een kind groeit op in armoede, en verzint daarom een denkbeeldige vriend. Het kinderboek Mijn vriend Crenshaw gaat, in ongedwongen poëtische zinnen, over troostende fantasie en maakbaarheid.

‘Denkbeeldige vrienden zijn net boeken. We worden gemaakt, er wordt van ons genoten, we zijn beduimeld en gekreukeld, en dan worden we weggezet tot we weer nodig zijn.’ Misschien zijn dit wel de meest wezenlijke zinnen van Mijn vriend Crenshaw, de opvolger van het in Amerika veelgeprezen Ik ben gorilla van Katherine Applegate. Want anders dan de titel en cover met het ielige jongetje en de hierboven geciteerde reusachtige fantasiekat suggereren, draait Crenshaw niet zozeer om de vriendschap tussen die twee, maar om de vraag wat het bestaansrecht van die kat is.

Waarom ziet Jackson – een tienjarige feitenfreak die zeker weet dat ‘magie niet bestaat’ en wetenschapper wil worden omdat hij de wereld wil zien zoals die is – op een zonnige stranddag plotseling een bekend uitziende kat op een surfplank boven zijn hoofd zweven? (Heerlijke verhaalopening overigens.) De kat die hij ooit zelf verzon toen hij als zevenjarige met zijn ouders en zusje in een busje woonde, omdat het gezin in een armoedeval terecht was gekomen? Waarom is Crenshaw teruggekeerd?

Overtuigend worstelen

Applegate laat haar protagonist overtuigend worstelen met deze vraag. (Al duurt het soms net wat te lang). Moeiteloos verplaatst ze zich in Jacksons tienjarige gedachtespinsels. Zo wuift hij Crenshaws aangeboden hulp natuurlijk direct weg. ‘Op mijn leeftijd heb je niks aan de reputatie dat je gestoord bent’, zegt hij. Maar ondanks verwoede pogingen krijgt hij de kat niet ‘wegverzonnen’. Gaandeweg wordt duidelijk waarom niet: Jackson moet de waarheid leren accepteren. En die liegt er niet om – nieuwe dakloosheid dreigt.

Aldus ontstaat een sterk psychologisch portret van een gefrustreerde jongen die, strijdend tussen feit en fictie, het gevoel heeft dat hij in een botsautootje zonder stuur zit. ‘Knal. Zouden we morgen wel genoeg eten hebben? Knal. Konden we morgen nog wel de huur betalen? Knal. Ging ik na de zomer nog wel naar dezelfde school?’

Sluipende geldproblemen

Opgroeien in armoede, het is een weinig beproefd kinderboekenthema. Alleen al daarom valt Mijn vriend Crenshaw op. Treffend is de scène waarin Jacksons moeder vertelt hoe geldproblemen je langzaam besluipen. ‘Eerst heb je een kriebel in je keel’, zegt ze, ‘dan heb je last van een kuchje. En voor je het weet […] hoest je je de longen uit je lijf.’ En pijnlijk confronterend is de ruzie van Jacksons ouders over de relevante vraag of het leven maakbaar is, of dat het tegen de plannen in zijn eigen gang gaat.

Gelukkig vermijdt Applegate tranentrekkerij. Haar toon is ingetogen en licht. Haar eenvoudige zinnen klinken ongedwongen poëtisch: bij Applegate ‘zet een briesje het gras aan het dansen.’ Maar het grootste geheim van Crenshaw is de eigen stem die Applegate Jackson heeft gegeven. Én natuurlijk het inzicht dat fantasie nodig is om de waarheid aan te kunnen.