‘Veel meer slachtoffers hebben onze hulp nodig’

Internationaal Strafhof Het Internationaal Strafhof wil de hulp aan slachtoffers van krijgsgeweld uitbreiden. Het Slachtofferfonds vraag donoren de komende vijf jaar zo’n 30 miljoen euro bij te dragen. Vier vragen over de hulp.

Vrouwelijke slachtoffers van seksueel geweld luisteren naar UN-medewerker John Holmes in Congo. Foto James Akena/Reuters

Toen het Internationaal Strafhof in Den Haag vijftien jaar geleden van start ging, was er niet alleen oog voor vervolging van misdadigers, maar juist ook voor genoegdoening aan slachtoffers. Die laatste ambitie blijkt veel moeizamer te realiseren dan gehoopt.

Het aan het Strafhof gelieerde Slachtofferfonds is afhankelijk van vrijwillige bijdragen, en ziet de donaties de laatste tijd verminderen. Daarnaast is er frustratie over de procedureel-juridische strijd met de rechters van het Strafhof. Daardoor is steun uitgebleven aan de slachtoffers van de Congolese krijgsheer Thomas Lubanga Dyilo – in 2012 de eerste veroordeelde van het Strafhof.

„Onze impact is inderdaad beperkt”, zegt de Japanner Motoo Noguchi, oud-rechter bij het Cambodja Tribunaal en sinds vier jaar voorzitter van de bestuursraad van het Slachtofferfonds. „Ik weet dat veel meer slachtoffers onze hulp nodig hebben.”

Noguchi en zijn mede-bestuurders, onder wie de Malinese vrouwenactivist Mama Koité Doumbia, waren deze week in Den Haag voor de jaarvergadering van het Fonds. Daar werden nieuwe plannen gepresenteerd. Vier vragen over de hulp.

  1. Wie krijgen steun van het Slachtofferfonds?

    In 2012 bepaalden de rechters dat de ongeveer 3.000 kindsoldaten die waren gerekruteerd door de Congolese krijgsheer Lubanga, recht hebben op herstelmaatregelen, zoals psychologische hulp, revalidatie en beroepsonderwijs. Afgelopen maart werd een soortgelijke uitspraak gedaan in de zaak tegen Lubanga’s rivaal Germain Katanga. Zijn slachtoffers (driehonderd) krijgen 250 dollar per persoon. Daarnaast komen er voor hen collectieve reparaties. Nederland zei deze week hieraan 200.000 euro bij te dragen.

    Deze ‘herstelmaatregelen’, waarvoor in totaal vijf miljoen euro is gereserveerd, zijn gekoppeld aan concrete vonnissen van het Strafhof.

    Daarnaast heeft het Fonds, onder eigen beheer, een tweede loket voor genoegdoening aan slachtoffers. Zo’n 350.000 slachtoffers en hun familieleden in Noord-Oeganda en Congo hebben in de afgelopen jaren deelgenomen aan programma’s voor psychologische en medische bijstand en vakopleiding. Sinds 2008 is daaraan meer dan dertien miljoen euro besteed.

  2. Hoeveel hebben de slachtoffers van Lubanga gekregen?

    De misdaden waarvoor Lubanga is veroordeeld dateren van 2002/2003. Maar vijftien jaar later hebben de toenmalige kindsoldaten nog niets gemerkt van genoegdoening. De vertraging komt door onenigheid tussen de rechters van het Strafhof en het Slachtofferfonds. De rechters volgen een strikt juridische koers, waarbij elk slachtoffer individueel moet worden gescreend. Het Slachtofferfonds zegt dat de slachtoffers daardoor onnodig worden blootgesteld aan herleving van hun trauma’s, en dat zo’n procedure te omslachtig is en veel te lang duurt.

    Bestuursvoorzitter Noguchi wees vorig jaar tijdens de algemene vergadering van lidstaten van het Strafhof op het ongeduld bij de slachtoffers:

    „Ze zijn moe en teleurgesteld dat er nooit iets gebeurt, behalve dat om de paar jaar verschillende organen van het Strafhof langskomen met dezelfde vragen”.

    Tot frustratie van het Slachtofferfonds gaat door de vertragingen inmiddels twee à drie keer zoveel geld op aan procedures dan aan concrete ‘herstelmaatregelen’ voor de slachtoffers van Lubanga. De geloofwaardigheid van het Strafhof, zei Noguchi in november, staat op het spel

    „Ik was niet boos, maar ik wilde wel mijn bezorgdheid tonen”, zegt de Japanner nu diplomatiek. „Ik spreek namens de slachtoffers en ik waarschuwde de rechters dat ze de procedures niet eindeloos mogen rekken”.

    Inmiddels lijken Strafhof en Slachtofferfonds een compromis te hebben bereikt. Mogelijk „deze zomer” kan worden begonnen met ‘symbolische collectieve reparaties’, onder andere door de bouw van drie herdenkings- en ontmoetingscentra.

  3. Waarom krijgen sommige slachtoffers wel steun en vele anderen niet?

    Het algemene programma van het Slachtofferfonds richt zich in beginsel op alle landen waar het Strafhof momenteel actief is. „We willen aanwezig zijn in al die landen waar de regering haar bevolking in de steek laat”, benadrukt vrouwenactivist Doumbia. „Maar onze middelen zijn beperkt”.

    In de praktijk blijven vele tienduizenden slachtoffers van verkrachtingen en andere misdaden met lege handen staan. In een land als Soedan is het Strafhof ongewenst, terwijl het in conflictgebieden als de Centraal Afrikaanse Republiek te onveilig is. Los daarvan zijn de vrijwillige bijdragen aan het Fonds de afgelopen tijd sterk afgenomen.

    Toch is deze week besloten om het algemene programma van het Slachtofferfonds uit te breiden. Behalve in Oost-Congo en in Noord-Oeganda zullen er nu ook projecten worden opgezet in Ivoorkust. Afhankelijk van nieuwe donaties volgen later dit jaar mogelijk ook programma’s in Mali en Kenia. Het Slachtofferfonds wil daarvoor de komende vijf jaar dertig miljoen euro proberen aan te trekken, zegt Pieter de Baan, de Nederlandse directeur van het Fonds.

    Met name de keuze voor Kenia is opvallend. De aanklager van het Strafhof slaagde er niet in de Keniaanse leiders Kenyatta en Ruto veroordeeld te krijgen – door actieve tegenwerking van de regering. Via een achterdeur komt het Slachtofferfonds nu misschien toch het land binnen. „We zijn er niet om daders op te sporen maar om slachtoffers te helpen”, zegt Noguchi. „Er zijn duizenden slachtoffers die nu nergens terecht kunnen”, zegt Doumbia.

  4. Voor de meeste slachtoffers van geweld heeft het Strafhof niets opgeleverd. Waren de ambities te hoog gegrepen?

    „In Afrika heeft de bevolking geen problemen met het Strafhof. Dat sommige leiders zich willen terugtrekken, is een ander verhaal. In Afrika is er geen alternatief voor het Strafhof”, zegt Doumbia.

    Juist deze middag hadden zij en haar collega Noguchi een ontmoeting met de 87-jarige Benjamin B. Ferencz, na de Tweede Wereldoorlog hoofdaanklager van één van de Amerikaanse vervolgprocessen in Neurenberg en hartstochtelijk pleitbezorger voor het Strafhof.

    Noguchi:

    „Hij sprak over de geweldige vooruitgang die de internationale rechtsorde in de afgelopen zeventig jaar heeft gemaakt. Het Strafhof is nog jong, we moeten geduld hebben en tegelijkertijd haast maken voor de slachtoffers.”