Recensie

Jaap van Zweden triomfeert als gastdirigent ‘zijn’ KCO

Klassiek Negen jaar moest het Concertgebouworkest wachten op de terugkeer van Jaap van Zweden als gastdirigent. Hij liet de muzikanten spelen op het scherpst van de snede.

Vergeleken met Sjostakovitsj-meesters als Jansons of Gergiev munt Van Zwedens benadering uit in de lange, diepe lijnen. Foto Mladen Pikulic

Een handjevol, misschien twee. Maar meer Concertgebouworkestmusici die Jaap van Zweden nog als concertmeester (1979-1995) hebben meegemaakt, zaten er donderdag niet op het podium. En zo leek met een nieuwe generatie Concertgebouworkestmusici ook de kou uit de lucht.

Je begreep bijna niet meer (eigenlijk altijd al niet) waarom er negen jaar moesten gapen tussen Van Zwedens vorige optreden als gastdirigent van ‘zijn’ Concertgebouworkest en zijn terugkeer nu. Negen vette jaren immers, waarin Van Zweden internationaal carrière maakte in de orkesten-eredivisie, met zijn benoeming tot chef van de New York Philharmonic (vanaf volgend jaar) als kroon. Van Zwedens Amsterdamse terugkeer was een triomf – en een die zowel het orkest als het publiek hem ook van harte leek te gunnen.

Scherpst van de snede

Het programma bood er ook alle aanleiding toe. Sjostakovitsj Achtste symfonie (1943) is een complex, afwisselend en dodelijk enerverend werk, met pijn als katalysator. Er klinken uitersten van letterlijk oorgeselend geweld op het randje van de pijngrens en verstild klagen, maar het ‘Allegro non troppo’ is met zijn raggende bassen en hypervirtuoos schmierend koper ook een geweldig martiaal spektakel, dat door Van Zweden en het tachtigkoppige orkest met in vele soli excellerende spelers op het scherpst van de snede werd uitgespeeld.

Vergelijk je Van Zweden met Sjostakovitsj-meesters als Jansons of Gergiev, dan munt zijn benadering vooral uit in de strakke hand en de lange, diepe lijnen. Ook in Prokofjevs Derde pianoconcert viel dat op. Ritmes klonken puntig op een dansante manier, niet bijterig. Solist Denis Kozukhin kreeg de ruimte voor elegante virtuositeit, maar het leed geen twijfel dat Van Zweden hier degene was die de lenige spankracht die het stuk uitademde in zijn geopende hand hield.