Column

Te oud

Hoewel ik al zestien jaar een rijbewijs heb, vertrouwt mijn oudtante van 81 me nog steeds niet achter het stuur en zo zit ik als we de bossen in rijden naast haar op de bijrijdersstoel. „Wil je een pepermuntje?” vraagt ze, en als ik mijn hand in de zak steek, zegt ze dat ik er maar ééntje mag pakken.

In de verte komt de kampeerboerderij, waar het zoveelste familieweekend zal plaatsvinden, in zicht. Mijn zus staat op de veranda, de ene na de andere sigaret wegpaffend. Ze rookt alleen tijdens dit soort bijeenkomsten en is slechts aanspreekbaar als ze een vuurtje nodig heeft, dus loop ik snel naar binnen, waar in een grote fauteuil oudoom Karel (87) is neergeplant. Hij kijkt somber.

„Ik ben zo oud geworden”, zegt hij.

„Je ziet er hoogstens uit als zeventig”, zeg ik.

„Weet je wat het allerergste is? Jongere vrouwen. Vroeger had ik zoveel sjans dat als ik op alle aanbiedingen was ingegaan, ik allang onder de grond zou liggen.” Ik knik, ik ken de foto’s, oudoom Karel zag er in de twintigste eeuw uit als de knappe broer van Ryan Gosling.

„Als ik vroeger een mooie dame toelachte, ging ze blozen. Maar tegenwoordig kijken ze …” hij krijgt het woord haast niet over zijn lippen, „vertederd. Alsof ik een lieve ouwe opa ben!”

‘Jij hebt nog mazzel”, zegt mijn zus die inmiddels is binnengekomen en een pakje nicotinekauwgom wegkauwt, „Als vrouw krijg je die blik soms al op je vijftigste!”

„Dat zal wel”, zegt Karel, „maar het is echt niet leuk om bijna zeventig jaar lang alle aandacht van de dames te krijgen en van de een op de andere dag opeens te worden weggezet als halfmens.”

Ik voel met hem mee en moet denken aan een ontmoeting die ik onlangs in Suriname had. Ik sprak toen met een dorpsoudste, een vriendelijke man van tachtig. Hij was ineengekrompen door de ouderdom, zijn huid dofbruin als verweerde kastanjes, maar hij had een fijn gezicht. Je kon zien dat hij eens erg knap moet zijn geweest, zijn ogen waren blauwer dan vers zwembadwater. Daar complimenteerde ik hem mee. De man begon te stotteren en te blozen. En toen kwamen er tranen. Dat hij zich weer even mooi voelde. Dat hij niet had gedacht dat hij dat zo miste. Ik probeerde hem te troosten (de reisleider keek argwanend in mijn richting, boos dat ik een deel van de lokale bevolking aan het huilen had gemaakt) en zo stond ik midden in de jungle met een tachtigjarige in mijn armen, die zich de ogen uit zijn hoofd jankte omdat hij eens mooi was.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.