Column

Slavenhok

In een Haagse winkelstraat is een Bengaals naaiatelier geopend, met vrouwen op elkaar gepakt achter glas, in een zeecontainer. Mondkapjes op, en maar naaien, knippen en spelden. Urenlang, voor een hongerloontje. Allerlei politici en andere prominenten laten zich er deze week een paar uur in opsluiten: een glazenhuisformule van Schone Kleren en vrouwenrechtenbeweging Mama Cash.

Zo’n slavenhok tussen een publiek vol Primark- en H&M-tasjes is als zo’n filmpje van een kuikenversnipperaar op paasochtend. Je voelt je een tikje schuldig, een tikje vies, en ook een tikje geïrriteerd. En dan stap je door, vast voornemens je dag niet te laten vergallen door wat wereldverbeteraars.

Toch is er een verschil. Als ik dierenleed wil aanpakken, kan ik, in theorie, vegetariër worden. Als ik slavernij in de textielbranche wil aanpakken, kan ik… aan de caissière vragen of het zaakje niet stinkt.

Werkelijk, dat is het beste wapen dat Schone Kleren voor de consument heeft: ondervraag je merk. Mail, twitter en facebook ze. Geen lijst van te boycotten ketens, geen waterdichte keurmerken. Zelfs minder kopen, of alleen nog tweedehands, is niet zaligmakend: dat zou die uitgebuite vrouwen weleens helemáál werkloos kunnen maken. Duurder kopen dan? Ook zinloos: het arbeidsloon is overal maar een schijntje van de totaalprijs. De complete patstelling was dinsdagavond in de Balie in Amsterdam duidelijk, toen de zaal vragen kon stellen na een paneldiscussies van Schone Kleren, Mama Cash en de Pakistaanse activiste Zehra Khan. Vraag één. Een vrouw wil verantwoord kleding laten produceren: bij wie in Pakistan moest ze zijn? Vraag twee. Een consument: wáár kon ze verantwoord kopen?

De antwoorden: geen idee. En dat ligt niet aan de bevlogen activisten op dit podium. Dat ligt aan deze industrie die volstrekt ondoorzichtig is. En aan de politiek die al die jaren niet verder is gekomen dan een heel summiere en vrijblijvende intentieverklaring, de naam ‘kledingconvenant’ niet waardig.

Waarom zegt onze regering niet: wij accepteren geen handelswaren waarvoor mensen zijn uitgebuit, punt? Omdat geld kennelijk machtiger is dan ethiek. Zolang de politiek het niet belangrijk genoeg vindt – en ik zie voorlopig geen kabinet komen waarbij dit zal veranderen – is dit het beste wat je kunt doen: consumenten motiveren om transparantie te vragen.

Ik zou een slechte wereldverbeteraar zijn, en het allang hebben opgegeven. Als consumenten al nauwelijks in staat blijken tot verantwoorde keuzes op de terreinen waar wél een heldere lijn tussen goed en fout bestaat (dierenleed, milieu), hoe kun je dan verwachten dat zij in deze ondoorgrondelijke wereld het initiatief nemen tot zo’n revolutionaire beweging?

Christiaan Weijts schrijft hier elke vrijdag een column