Nederland: land van de ‘ideale’ ongelijkheid

Migratie, dat bleek de hobbel die VVD, CDA, D66 en GroenLinks samen niet kunnen nemen. Maandag strandde de eerste formatiepoging voor een nieuw kabinet. En dan waren de vier kennelijk nog niet eens diepgaand toegekomen aan die twee andere hoofdpunten: het klimaat en de inkomenspolitiek.

Dat laatste onderwerp is potentieel al even brisant als het migratievraagstuk. Er is veel te doen over ongelijkheid. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) maakte er drie jaar geleden een lijvige studie over. De conclusie: Nederland heeft aan het oppervlak een vrij grote inkomensgelijkheid, maar er zijn grote bewegingen gaande die dat kunnen gaan veranderen.

De belangrijkste maatstaf voor ongelijkheid is de Gini-coëfficiënt. Die schommelt theoretisch tussen 0, volledige gelijkheid, en 1, volledige ongelijkheid. Nederland scoort hier 0,28, op basis van gestandaardiseerde inkomens. Dat is internationaal gezien laag. Maar er zijn kanttekeningen te plaatsen. Op basis van het besteedbaar inkomen is de Gini een stuk hoger (0,35). Er zijn aanwijzingen dat de berekening de inkomens van zzp’ers niet helemaal goed meeneemt. En de grote vermogensongelijkheid (zo’n 0,9) kan vroeg of laat leiden tot een groeiende inkomensongelijkheid. Bovendien ziet de Gini extremen over het hoofd, zoals groeiende verschillen tussen de allerhoogste en -laagste inkomens.

Ongelijkheid kan goed of slecht zijn. In een geheel egalitaire samenleving loont het bijvoorbeeld nauwelijks om beter je best te doen, te investeren in je educatie of die van je kinderen, of een onderneming te beginnen. Als elke verbetering de grond in wordt belast, ontbreekt de prikkel om die na te streven. Andersom wordt bij een te grote ongelijkheid de bovenklasse lui. Het haalt de ladders op en renteniert in plaats van te investeren. De onderlaag van de samenleving mist de kans om te klimmen, krijgt moeilijk krediet en verliest de moed.

Het IMF treft een optimale Gini-coëfficiënt aan, en die komt sterk overeen met de Nederlandse

De relatie tussen ongelijkheid en welvaartsgroei is dus non-lineair. Er is geen rechte lijn die zegt: hoe gelijker hoe beter, of hoe ongelijker hoe beter. In een interessant blog verwees het Internationaal Monetair Fonds (IMF) vorige week naar twee recente eigen onderzoeksdocumenten die meer licht werpen op de zaak. In een groot opgezette studie concluderen de onderzoekers dat de relatie tussen ongelijkheid en welvaartsgroei sterke trekken vertoont van een derdegraadsvergelijking. Vanaf een laag punt is stijgende ongelijkheid goed voor de economie, tot aan een optimum, waarna een verdere stijging juist slecht is. Dat laatste effect ebt vervolgens langzaam weg.

Hamvraag: waar ligt dat optimale punt? Met heel veel haken, ogen en ander voorbehoud, wijst het IMF een Gini aan van 0,27. Minder ongelijkheid is vaak niet optimaal, grotere ongelijkheid ook niet. Dit is dus de sweet spot van de inkomensongelijkheid. En die vinden we in Nederland. Mits, en dat is een grote mits, onze Gini goed is gecalculeerd.

Het zou impliceren dat een nieuw kabinet niet al te veel hoeft te doen aan dit onderwerp. Maar pas op voor absolute cijfers. Het antwoord op ‘De ultieme vraag over het Leven, het Universum, en Alles’ mag dan volgens The Hitchhikers Guide to the Galaxy ‘42’ zijn, in andere gevallen gaat het vaak mis. Vlak na de crisis publiceerden de economen Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff een studie waaruit bleek dat een staatsschuld van meer dan 90 procent van het bbp slecht was voor de welvaartsgroei. Daar bleef bij nadere inspectie wat minder van over dan de auteurs zullen hebben gehoopt.

Maarten Schinkel schrijft elke donderdag over economie en financiële markten