‘Kamermuziek onderscheidt zich niet van een goed gesprek’

Vier muzikale pubers vormden twintig jaar geleden het Jerusalem Quartet. Inmiddels behoren ze tot de wereldtop. Het geheim? „In het strijkkwartet telt iedere stem even zwaar.”

Foto Felix Broede

Een strijkkwartet is vaak een wonderlijk samenraapsel van persoonlijkheden. Het blijkt dictatuur noch democratie. „Over onze speelwijze kunnen we niet met meerderheid van stemmen besluiten”, zegt Alexander Pavlovsky, eerste violist van het Jerusalem Quartet. „Als drie musici kiezen voor afslaan, en de vierde wil rechtdoor, dan kunnen ze hem wel hun kant op dwingen, maar in dat geval blijft de muziek ontzield op het kruispunt achter. Zonder gevoel van eenheid kom je nergens. Een strijkkwartet is in vele opzichten één instrument met zestien snaren.”

Toch kan het individu daarin bewaard blijven, weet hij. „We proberen in elk stuk plekken te vinden waar het licht op een van ons valt, waar iemand zijn identiteit kan etaleren. Ook de afzonderlijke stemmen moeten klinken. Wat dat betreft onderscheidt kamermuziek zich niet van een goed gesprek. De gouden middenweg tussen groep en eenling blijft een opgave, maar wanneer die speurtocht lukt, levert dat magische momenten op. Onlangs maakte onze altviolist Ori Kam een treffende opmerking. Hij citeerde zijn leermeester Pinchas Zukerman: ‘Er bestaat geen verschil tussen concert en repetitie. Beide vormen een stap in het eeuwig zoeken.’”

Eén lichaam zijn

Zaterdag probeert het Jerusalem Quartet in het Amsterdamse Concertgebouw het wezen van Antonin Dvorak te ontrafelen. De Tsjech componeerde veertien strijkkwartetten. „Werken vol hypnotische en ontroerende momenten”, vindt Pavlovsky. „Soms lijken componisten van grote symfonieën moeite te hebben om dat wat zij willen zeggen terug te brengen tot de vier stemmen en lijnen van het strijkkwartet. Dvorak doet dat bijna achteloos. Zijn taal is ongelooflijk helder. Alle menselijke gevoelens kan ik in zijn kamermuziek herkennen.”

Een video uit 2008 van het Jerusalem Quartet:

Dat heeft wellicht ook te maken met zijn eigen Oost-Europese achtergrond, denkt Pavlovsky. Drie van de vier leden van het Jerusalem Quartet brachten hun kinderjaren door achter het IJzeren Gordijn van de Sovjet-Unie. De val van die communistische dictatuur begin jaren negentig opende de poort naar een andere wereld – voor veel Joodse gezinnen betekende dat de vervulling van hun lang gekoesterde hunkering om in Israël een nieuw thuis te vinden. Als muzikale tieners belandden Pavlovsky, Sergei Bresler, Amihai Grosz en Kyril Zlotnikov in het orkest van het Jerusalem Music Centre. „Het muzikale brein achter het onderwijs, de beroemde Amerikaanse violist Isaac Stern, hechtte veel waarde aan kamermuziek. De school zocht een nieuw kwartet. Wij wilden het wel proberen.”

Met zijn zestien jaar was Pavlovsky op dat moment de oudste. Hij kwam uit een andere traditie. „In de Sovjet-Unie lag de nadruk immer op het ontwikkelen van vaardigheden als solist of orkestmusicus. Kamermuziek was leuk voor in je vrije tijd. Jeruzalem daarentegen bleek een lappendeken van kleine ensembles. We betraden het onbekende universum van het strijkkwartet, waarin naar elkaar luisteren en plooibaarheid de kern waren, want je moet één lichaam kunnen zijn. Op de weegschaal van het strijkkwartet telt iedere stem even zwaar. Bij musiceren geef je en neem je, zoals in het ademhalen. In alles zit het streven naar evenwicht. Ons principe is: passief leiden en actief volgen.”

Onuitputtelijke bron

Met zijn gloedvolle en menselijke klank groeide het Jerusalem Quartet de afgelopen twintig jaar uit tot een bewonderde bespeler van de grote podia. Alleen Grosz vertrok, verleid door de begeerde baan van eerste altist in de beroemde Berliner Philharmoniker. De anderen ontplooien de nodige eigen initiatieven als solist of leraar „om niet verstrikt te raken in het vacuüm, dat het strijkkwartet ook kan worden”. Want uitblinken in dit genre vereist overgave, op muzikaal en persoonlijk vlak. Kwartetten worden niet voor niets vaak met huwelijken vergeleken.

Pavlovsky soleert nog wel, maar verkiest het bestaan in een kwartet. „De solist kent twee soorten eenzaamheid”, zegt hij. „Een violist reist alleen, met in zijn koffer - in het geval van een groot repertoire - slechts zo’n vijftien tot twintig concerten. Het strijkkwartet daarentegen drinkt uit een onuitputtelijke bron. Wie alleen de meesterwerken wil spelen, heeft aan twee levens nog niet genoeg. Bovendien leer je in kamermuziek de componist pas echt kennen. Neem een Dvorak, Brahms of Sjostakovitsj. Bij hen schemert iets intiems en persoonlijks door de partituur heen. De diepste kleuren van hun ziel komen naar boven in het strijkkwartet.”

Dit voorjaar verscheen van het Jerusalem Quartet een fascinerende opname van strijkkwartetten van Bartók, muziek met een meestal uitgesproken rauw karakter. Maar op dit album gloeien de drie stukken warm en humaan. „Lang geleden, bij een concert in Wenen”, vertelt Pavlovsky, “vroegen we componist György Kurtág of hij naar onze vertolking van Bartóks Zesde Strijkkwartet wilde komen luisteren. ‘Het is mooi’, zei hij na de repetitie, ‘toch…’ Hij zweeg, stond op en ging achter de piano zitten. Daar speelde Kurtág alle zes kwartetten voor ons. Uit zijn hoofd. En plotseling klonk de muziek niet verticaal en gewelddadig, doch zacht en melodisch. Verbaasd luisterden we. En in elkaars ogen lazen we: dit is hoe het zou moeten zijn. Uit de noten verrees een mens. Dat vind ik de schoonheid van strijkkwartetten: altijd weer nieuwe inzichten. De zoektocht houdt nooit op.”

Het Jerusalem Quartet speelt zaterdagavond (20.15u) in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw.