Column

Een zonnige tuin in Gent

Net als in Amsterdam krijg je in Gent na een poosje de behoefte om de toeristenstroom te ontlopen. Vooral het groepstoerisme begint te irriteren. Het is alsof de mens steeds liever groepsgewijs reist, achter een leider aan die een vlaggetje omhooghoudt. De groepen nemen trottoirs in beslag en veroorzaken opstoppingen in en om de bekendste bezienswaardigheden.

In Gent wordt het algauw stiller naarmate je je verder verwijdert van de toeristische trekpleisters in en om de Sint-Baafskathedraal. Ik merkte het toen ik met mijn vrouw via de universiteitswijk naar de Sint-Pietersabdij liep in het zuiden van de stad. De abdijkerk is een prachtig bouwwerk in Romeins-classicistische stijl met een rijke historie. De kerk was op deze doordeweekse dag open, maar we kwamen er geen toerist tegen. Ook geen suppoosten trouwens, wat riskant lijkt in tijden waarin kerken nogal eens beroofd worden.

Het was een mooie voorjaarsdag, geschikt voor de middeleeuwse tuin met wijngaard en ruïne naast de abdij. Die tuin kan ik iedereen aanbevelen die enkele rustige, landelijke uurtjes in Gent wil doorbrengen.

Het is een grote, glooiende weide met vruchtbomen, geneeskrachtige kruiden en stenen muurtjes, waar veel studenten op afkomen. Ze hadden zich omstreeks het middaguur in groepjes of individueel op het gras afgezonderd, vredig pratend en etend in de zon. Op een bord bij de ingang stond een verbod op radio’s vermeld waar iedereen zich aan hield.

Alleen maar jonge mensen – een idyllisch tafereel dat ik met enige jaloezie gadesloeg. Zij hadden nog een wereld te winnen.

Wij gingen aan de rand van het veld op een muurtje zitten, als ouders die een oogje in het zeil hielden. Een stelletje liep langs ons, het meisje in een jurkje zó kort dat de benedictijnen die hier vroeger woonden het als een ontheiliging van hun tuin zouden hebben beschouwd.

Terwijl we ons in de zon koesterden, viel me verderop in de tuin een groepje van drie personen op: een meisje druk in gesprek met een paartje van haar leeftijd dat tegenover haar zat. Het meisje had een geopende laptop op haar schoot waar ze af en toe teksten van voorlas. Het meisje en de jongen tegenover haar luisterden met een half oor, ze waren zeer verliefd op elkaar en hadden eigenlijk wel wat anders te doen. Dat deden ze soms ook: kusjes op de wang, kriebeltjes in de hals, innige lachjes.

Het meisje met de laptop deed alsof ze daar niets van merkte, ze ratelde maar door, steeds luider leek het wel. Als de aandacht van de andere twee te veel verflauwde, stelde ze hun vragen die kennelijk zo onontkoombaar waren dat ze beantwoord móésten worden.

Het werd het paartje te veel. De jongen stond als eerste op, zijn meisje volgde gretig, alsof ze het in het geheim hadden afgesproken. Ze klopten wat stof en sprietjes van hun kleren. Het andere meisje bleef over haar laptop gebogen terwijl haar vrienden zich uit de voeten maakten. Zij zwaaiden nog naar haar, maar hun vriendin leek het niet te zien, ze had alleen oog voor haar laptop.

Even later zat ze moederziel alleen op die weide, gevuld met mensen die het zo gezellig met elkaar hadden.

Opeens was de tuin minder idyllisch geworden, meer een afspiegeling van de wereld die we ergens in de verte hoorden gonzen.