Cultuur

Interview

Interview

Foto Marco Borggreve

‘Alles draait om individualiteit’

Arcadi Volodos (45) , pianist, leeft voor diepgang. Zijn cd ‘Volodos plays Brahms’, is net uit, dit weekend is hij in Nederland. „Een maat geniale muziek betekent meer voor me dan mijn leven.”

Hij staat bekend om zijn fijnzinnigheid en flexibele toon. Teder toveren in een pianissimo, subtiel opschakelen naar daadkracht. Zijn virtuositeit is evenzeer legendarisch. Maar voor de Russische pianist Arcadi Volodos – 45, heel lichtbruine ogen – is virtuositeit een dienstbare bijkomstigheid.

„Aan het begin van mijn carrière draaide het wel veel om mijn vingervlugheid”, zegt hij. „En nóg associëren mensen me met mijn twintig jaar oude bewerking van de Rondo alla Turca van Mozart, terwijl ik gruwel van dat stuk! Mijn eerste cd met transcripties van Schubert (1996) vind ik nog wel interessant. Maar de virtuoos die je daar hoort, is dood. Ik voel me net zo verwant aan hem als aan een buitenaards wezen.”

Lees ook de recensie van zijn concert: Niet de glans maar de diepte van de noten

De carrière van Arcadi Volodos kende een wonderlijk verloop – vanaf het prille begin. Zo was hij een laatbloeier: pas na een studie koordirectie werd de piano hem ernst. En toen was hij ‘al’ zestien – voor een pianist ongewoon oud.

„Toeval”, zegt hij zelf. „De jaren ervoor waren geen gelukkige; als vroege puber zat ik op kostschool. Mijn moeder was net gescheiden, het alternatief was dagelijks urenlang forenzen. Toen ik later weer thuis kwam wonen, was mijn moeder hertrouwd met mijn stiefvader: een totale melomaan. Hij had duizenden cd’s en deed mij er ook vele cadeau. De complete opnames van Vladimir Sofronitsky, Rachmaninov door Rachmaninov… Daarmee werd mijn passie voor de piano sterk aangewakkerd.”

Sinds zijn 21ste, na cruciale studiejaren bij Galina Eguizarova in Moskou, woont Volodos in Europa. Eerst als student in Parijs, nu met zijn gezin in Madrid, waar de voor het interview gereserveerde ruimte in de kelder van een hotel een intimiderende, TL-verlichte verhoorkamer zonder ramen blijkt. Volodos let er niet op. Hij spreekt goed, iets brokkelig Engels en zoekt af en toe een sleutelwoord op via zijn telefoon.

Na vier jaar verscheen uw nieuwe cd, gewijd aan Brahms. Waarom duurde het zo lang? En waarom Brahms?

„Brahms’ muziek is me zeer dierbaar, vooral de Intermezzi opus 117. Die vind ik zo ontzagwekkend ver verheven boven het alledaagse dat… nou ja, dat elke mogelijke beschrijving tekortschiet.

„En waarom nu pas? Tsja, waarom zou je als uitvoerend musicus überhaupt haast, of een hoge productie willen nastreven? Dat lijkt me heel onzinnig. Als ik een cd maak, is dat een document door mij, voor de mensheid en de eeuwigheid. Dat klinkt zwaar, maar zo ervaar ik het ook. Daarom doe ik er dus ook zo lang over. Soms ontstaat de klank die ik zoek pas bij de 45ste take. Soms zelfs dan niet, en dat is érg. Maar door zo traag te werken kom ik wel heel dichtbij mijn klankideaal. En dat is, ondanks alle frustratie tijdens het opnemen, zonder meer iets heel prachtigs.”

Uw agenda is solitair ingericht. Solorecitals, weinig optredens met orkest, bijna geen kamermuziek. Waarom?

„Vanuit datzelfde verantwoordelijkheidsbesef. In de wisselwerking met een dirigent en een orkest hangt veel aan een zijden draadje. Wie bepaalt wat? Een bevriend dirigent zei ooit tegen me: als ik een solist bewonder, word ik zijn slaaf want dan wil ik hem de ruimte gunnen.” Hij grinnikt. „Maar niet iedere dirigent denkt zo.

„Een bijkomend bezwaar is dat orkesten vaak ’s ochtends repeteren als ’s avonds het concert is. Ik kan dat niet, dan presteer ik niet optimaal. Ik ben een avondmens. Rond 23 uur word ik echt wakker. Dan ga ik pianospelen, componeren, schrijven, dagdromen, lezen, leren. De dag is leuk voor parkwandelingen en vrienden, niet voor creativiteit, geestkracht en oorspronkelijkheid.”

Het muzikale offer van die focus op het solorepertoire is wel heel erg groot.

„Dat is zo. Ik heb kamermuziekconcerten ook vaak geprobeerd, de laatste keer in Verbier. Maar mijn medespelers ontmoette ik daar kort voor het concert en dat vond ik eigenlijk al onaanvaardbaar. Als ik musiceer met mensen, wil ik dat we elkaar zo goed aanvoelen dat onze ademhalingen synchroon lopen; dat we zielsvrienden zijn. Dat is geen realistische eis, maar wie genoegen neemt met minder, mist de diepste lagen van de muziek. En die wil ik bereiken. Een maat geniale muziek betekent meer voor me dan mijn eigen leven.”

Heeft u in uw solo-recitals desondanks ook wel, nou ja… gewoon plezier?

„Zeker! Ik houd van concerten, van de non-verbale wisselwerking met het publiek. Maar dat plezier bestaat alleen als ik kan werken op mijn eigen manier, en dus steeds kan graven naar die diepste laag. Vroeger speelde ik 35 concerten in twee maanden, nu per jaar. En steeds hetzelfde programma, zodat ik steeds verder kan duiken in dezelfde werken. Dat te mogen, beschouw ik als de grootste schat van mijn pianisten-bestaan.”

Kunt u iets zeggen over het recital-programma van dit jaar, dat u ook in Nederland tweemaal speelt?

„Op het programma staan Brahms, Schumann en Schubert. Ik houd van Brahms, Schumann en Schubert. Meer valt er niet over te zeggen, want het waarom wil ik niet weten. Redenen zoeken in de kunst is het gevaarlijkste wat er is. Dan schaad je het mysterie.”

Kan kennis geen potentiële sleutel zijn tot diepgaandere interpretatie?

„Natuurlijk wel. Je kunt planken vol boeken lezen over leven en werken van Brahms. Maar zijn muziek is de beste sleutel. Want daarin voel je zijn ziel.”

Brahms wandelde veel. Waar haalt u, buiten de noten, uw impulsen vandaan?

„Ik lees graag. Dostojevski, filosofie. Wat, dat wisselt. Zoals je in de muziek het ene moment met Schubert naar de hemel reist om erna met Rachmaninov naar de krochten van de lijdende ziel af te dalen, zo lees ik naast de zware filosofieën van Emil Cioran, mijn lievelingsauteur, óók graag Epicurus. Cioran schreef trouwens ook prachtig over muziek. ‘Als God aan iemand rente verschuldigd is, dan aan J.S. Bach’ is een van zijn bon mots. Prachtig!

„Ongelukkig zijn, gelukkig – het speelt allemaal mee in hoe je muziek maakt. Overigens neigde ik vroeger sterker naar somberheid dan sinds ik een dochter heb. Zij is nu drie. En sinds zij er is, is mijn leven minder belangrijk dan het hare. Dat maakt alles veel lichter.”

Speelt u nog wel eens in Rusland?

„Nee. Ik voel me daar nerveus. Ik beschouw mezelf als een Europees pianist.”

In welk opzicht?

„Vorming. Mijn belangrijkste jaren doorleefde ik ná mijn vertrek uit Moskou. De lessen van mijn docent Jacques Rouvier in Parijs waren van onschatbare waarde en ik raakte er nauw bevriend met Norbert Ghamzon, de Franse hoofdproducent van platenlabel EMI. Hij was degene die de opnames van legendarische pianisten als Richter, Gilels en Cziffra begeleidde. Zo was die Parijse fase er voor mij niet alleen een van pianistisch beter worden, maar ook van innerlijk rijpen door praten over muziek en soorten van interpretatie.

„Maar stel nou, ik had gezegd dat ik me een ‘Russisch’ pianist voel. Wat betekent dat dan? De Russische pianoschool is er een van uitersten. Greenberg, Richter, Gilels, Sofronitsky: hun rijkdom schuilt in individuele verschillen. En zo hoort het ook. Ware muzikale persoonlijkheid ontstijgt grenzen, en is per se kosmopolitisch.”

U citeerde net Cioran over Bach. Maar u speelt zelf zelden Bach. Waarom eigenlijk niet?

„Oh, thuis wel hoor. Maar dan ben ik altijd ontevreden. Sofronitsky zei over zichzelf ooit: misschien ben ik voor Bach gewoon te klein. Datzelfde denk ik ook vaak. Anderzijds is wat me intrigeert aan Bach juist dat de essentie van zijn muziek onverwoestbaar is. De Bach-opnames van Glenn Gould bewonder ik enorm. Net als die van Alfred Cortot. Hij speelde Bach met hele eigenzinnige nuances en veel foute noten, maar dat maakt niks uit: je voelt Bachs essentie er juist des te sterker door.”

Geen standpunt waar voorvechters van de authentieke uitvoeringspraktijk zich graag achter zouden scharen.

„Maar het is wáár! Componisten gaven niet in eerste instantie om perfectie. Cortot werd door critici vaak agressief aangepakt. ‘Met zijn fouten samen kun je een heel nieuw werk componeren!’, schreven ze dan. Waarop Cortot repliceerde dat je dan wel moet weten hoe je foute noten goed kunt spelen. (Grinnikt.)

„Als iemand perfect piano speelt, valt dat op. Je gaat op die perfectie letten. Maar een echt goed pianist, zoals Cortot, sleept je mee in wat hij vertelt, niet in het technische hoe. Algemener gesteld: als een pianist in romantische muziek geen risico’s neemt, heeft hij er bar weinig van begrepen.

„Het is een breed, actueel probleem. Als ik masterclasses geef, merk ik dat veel musici hun eigenheid niet naar het podium durven meenemen, omdat daar de perfectie dient te regeren. Maar de paradox is dat ze het met die perfectie niet gaan redden, want muziek gaat niet over perfectie. Uiteindelijk betekent individualiteit toch alles.”

Arcadi Volodos, recitals op 19 mei (TivVredenburg Utrecht, 20u) en 21 mei (Concertgebouw Amsterdam, 20.15u). De cd ‘Volodos plays Brahms’ is uit bij Sony Classical.