Interview

‘Verzwijgen misbruik is niet van deze tijd’

Klaas de Vries

De commissie-De Vries is begonnen aan zeven maanden onderzoek naar misbruik in sport. „We maken geen geleerd werkstuk”, zegt de voorzitter.

Klaas de Vries: „Je weet dat het kan gebeuren en toch wordt misbruik behandeld als taboe.” Foto David van Dam

Vanachter een broodje kaas in zijn kantoor zegt Klaas de Vries het bijna meteen: zijn commissie wordt geen tweede commissie-Deetman. Als dat het idee was van zijn opdrachtgever NOC*NSF, zegt de voorzitter, dan deed hij liever iets anders dan onderzoek naar misbruik en intimidatie in de sport. „Deetmans onderzoek naar seksueel misbruik in de Katholieke Kerk was fantastisch”, zegt de oud-PvdA-minister van Sociale Zaken en Binnenlandse Zaken. „Maar ik heb geen zin om me jarenlang te committeren aan een onderzoek naar zo’n ingrijpend onderwerp. Ik ben oud genoeg om dat niet te hoeven doen.”

Daarom heeft De Vries (74) zijn onderzoek afgebakend. Maximaal zeven maanden wil hij ervoor uittrekken. In die periode gaat hij op zoek naar antwoorden waar sportbestuurders wat aan hebben. Gaan sportbonden en sportclubs adequaat om met meldingen van seksuele intimidatie? Zijn sportbestuurders zich voldoende bewust van hun verantwoordelijkheid? Mensenwerk in plaats van abstracte wetenschap.

Bestuurders worden volgens De Vries niet gelukkig van duizend voetnoten, maar krijgen liever twee concrete aanbevelingen. „We maken geen geleerd werkstuk waarvan mensen zeggen: knap boek, zet maar op de plank.”

Zonder schaamte

Dinsdagochtend stond hij in Den Haag voor het eerst de media te woord als voorzitter van de naar hem vernoemde commissie. Naast De Vries maken ook oud-rechter Egbert Myjer en voormalig staatssecretaris Clemence Ross-van Dorp deel uit van de commissie-De Vries. Zij hebben op hun beurt de hulp in geroepen van experts Marjan Olfers (hoogleraar sport en recht aan de VU), de Belgische criminoloog Tine Vertommen en onderzoeker Marianne Cense van kenniscentrum Rutgers.

De Vries benadrukt dat zijn contact met de pers van groot belang is voor de slagingskans van zijn missie. Met een budget van 600.000 euro is er bijvoorbeeld geen geld voor een mediacampagne. „Eén ton gaat al op aan btw”, cijfert hij voor. „Wat dat betreft zijn júllie mijn mediacampagne. Hoe meer aandacht, hoe beter.”

Tijdens de persconferentie viel op dat de voorzitter veel vragen onbeantwoord laat – omdat hij ze niet kan of wil beantwoorden. Hoeveel meldingen van seksueel misbruik er al zijn gedaan sinds de bekendmaking van het onderzoek? „Ga ik niet zeggen. Ik geef ook geen indicatie.” Wat hij vindt van de huidige manier waarop sportbonden de problemen aanpakken? „Ik zou niet weten wat ze doen.” Over de richtlijnen van sportkoepel NOC*NSF: „Heb ik niet gelezen.”

De Vries is geen allesweter. Dat pretendeert hij ook niet te zijn. Wat hij wil is een sfeer creëren waarin slachtoffers van seksueel misbruik naar voren durven te treden, zonder schaamte. „Het onderwerp heeft nu iets spectaculairs. Er worden tv-uitzendingen aan gewijd, er is rivaliteit in de pers. Ik zou willen dat mensen er evenwichtiger mee omgaan. Je weet dat het kan gebeuren en toch wordt het behandeld als een taboe. Daarom ben ik onder de indruk van mensen die onder deze omstandigheden naar buiten komen.”

Eén op de tien?

Een belangrijk onderdeel van zijn onderzoek is gebaseerd op een studie van criminoloog Vertommen. Zij liet in 2014 tweeduizend Nederlanders die als kind aan georganiseerde sport hadden gedaan een enquête invullen. Haar conclusie: één op de tien sporters onder de 18 jaar heeft milde tot ernstige vormen van misbruik ervaren. Of de ‘samples’ representatief zijn, kan niet worden bewezen, schrijft Vertommen in een artikel. Niettemin heeft de commissie haar de opdracht gegeven de gegevens te heranalyseren.

Als Vertommen al kanttekeningen plaatst bij de representativiteit van haar studie, maakt De Vries zich dan geen zorgen? „Laat ik die vraag aan het einde van het onderzoek beantwoorden”, zegt hij. „Je kunt niet beter doen dan je kunt doen.”

Evenmin wil hij ingaan op de vraag of slachtoffers financieel gecompenseerd moeten worden, zoals dat gebeurde bij slachtoffers van misbruik in de kerk. „Ik ben daar nog niet mee bezig. Bij de kerk was het bij leidinggevenden bekend en werd het in zekere mate toegedekt. Dan spreek je van schuld bij de organisatie. Ik geloof dat het anders ligt bij sport. Daar heb je zo’n 25.000 verenigingen, verdeeld over 76 bonden. Die zijn er niet mee bezig dit toe te dekken.”

Op de persconferentie noemde hij het toedekken van misbruik „niet van deze tijd”. In het belang van het onderzoek hoopt hij juist ook zulke ervaringen te horen. Worstelingen, twijfels, mislukte zaken. Zonder meldingen geen inzicht.

Lees ook het interview met karateka Vanesca Nortan: ‘Ik was niet sterk genoeg om de bondscoach te negeren

Het valt de Vries op dat er een groot verschil is tussen het aantal meldingen van misbruik en het aantal daadwerkelijke veroordelingen. Als één op de tien sporters misbruik heeft ervaren, waarom komen er per jaar dan maar 40 meldingen binnen bij het Vertrouwenspunt Sport van NOC*NSF, om nog te zwijgen over het aantal veroordelingen: slechts enkele. „Waar blijven die meldingen? Ik heb daar vraagtekens bij, dat kan niet goed zijn. We willen weten wat die belemmeringen zijn. Juridisch zijn die er misschien, maar mogelijk ook bij sporters zelf. Zij willen niet jarenlang strijden tegen een dader. Soms duurt dat wel vier jaar. Dan denken zij ook: hallo zeg!”

In zijn ogen moet de samenleving meer verantwoordelijkheid nemen. Ouders, die hun kind niet zomaar moeten droppen bij de sportvereniging, maar ook voorzitters en secretarissen van diezelfde clubs. „Als je verantwoordelijkheid op je neemt, heb je de verantwoordelijkheid te zorgen voor een veilig sportklimaat. Of we die mensen aansprakelijk moeten stellen? Goede vraag. Het gaat ver, maar je kunt erover nadenken. Als je een slagerij hebt, moet je ook voldoen aan veiligheidsvoorschriften. Dus als de gemeente een sportpark verhuurt aan een club, zou je best kunnen verlangen dat de huurder zorgt voor een veilig sportklimaat. Je kunt hen niet opleggen dat ze helemaal thuis zijn in alle reglementen, maar enig benul mag je wel verwachten.”