Verdubbeling aantal 100-plussers sinds 1997

Meer dan tweeduizend Nederlanders zijn honderd jaar of ouder. Dat aantal loopt de komende tijd alleen maar op, zegt het CBS.

Foto Roos Koole/ANP

Het aantal Nederlanders dat honderd jaar of ouder is, is in de afgelopen twintig jaar ruim verdubbeld naar meer dan tweeduizend. Dat komt door het hoge aantal geboortes aan het begin van de vorige eeuw en de sterk verlaagde sterftekansen, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Het CBS telde op 1 januari dit jaar 2.225 honderd-plussers, een stijging van 124 ten opzichte van vorig jaar.

Relatief gezien is de groei niet bijzonder: tussen 1977 en 1997 steeg het aantal honderdjarigen met 250 procent. Het CBS verwacht dat het cijfer blijft oplopen en voorspelt dat er in 2031 meer dan vierduizend Nederlanders van honderd of ouder zullen zijn. Die versnelling vindt plaats vanwege het grote aantal kinderen dat kort na de Eerste Wereldoorlog werd geboren. Rond 2020 zal deze groep de leeftijd van honderd gaan bereiken.

Het grootste aantal honderdjarigen woont in Rotterdam (118), gevolgd door Den Haag en Amsterdam. Er zijn betrekkelijk weinig mannen die de honderd bereiken: in totaal 320 in Nederland, terwijl bijna tweeduizend vrouwen honderd jaar of ouder zijn.

Ook in de groep tachtig- en negentigjarigen vond een stijging plaats, maar die groepen groeiden relatief gezien minder snel. Het aantal mensen tussen de tachtig en de negentig steeg in de afgelopen twintig jaar met de helft, tot ongeveer 642.000 mensen. De groep negentig-plussers steeg met 90 procent tot 112.000 Nederlanders.

Op het moment telt Nederland 126 honderdjarigen per miljoen inwoners, een relatief laag cijfer ten opzichte van landen als Griekenland (565 honderd-plussers per miljoen inwoners) en Portugal (392 per miljoen inwoners). Bulgarije staat onderaan de lijst, met vijftig honderdjarigen per miljoen inwoners.