In de jeugdzorg wijst iedereen naar elkaar

Wachtlijsten

De wachttijden in de jeugdzorg zijn te lang, maar wie doet er wat aan? Gemeenten zouden moeten handhaven.

Actievoerders tijdens een landelijke protestactie in 2014. Foto: ANP / Remko de Waal

Zeventien jaar geleden hebben zorgverzekeraars en zorginstellingen al afgesproken dat wachtlijsten begrensd moeten zijn. Sindsdien gelden in de zorg de zogeheten Treeknormen. Voor de geestelijke gezondheidszorg betekent dat: maximaal vier weken wachttijd tussen verwijzing en intakegesprek. En de behandeling moet uiterlijk tien weken na de intake beginnen.

Die deadlines worden zelfs gemíddeld fors overschreden in de jeugdhulp. Jongeren wachten gemiddeld twee weken te lang, en in individuele gevallen kan de wachttijd oplopen tot meerdere maanden.

Wie doet daar wat aan? De Nederlandse Zorgautoriteit in elk geval niets. Dit soort zorg valt net niet onder haar verantwoordelijkheid.

Gemeenten zijn sinds 1 januari 2015 eindverantwoordelijk voor de jeugdzorg. Gemeenten zouden moeten handhaven, zij zouden ervoor moeten zorgen dat patiënten niet te lang in de rij hoeven te staan. Dat kunnen ze doen door bijvoorbeeld meer budget te geven aan de instellingen, en hen op de huid te zitten als de wachttijden zo blijven.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) erkent die verantwoordelijkheid maar mondjesmaat. VNG schrijft desgevraagd in een mail: „De Treeknormen worden als richtlijn nog wel gehanteerd maar in principe maakt iedere regio in de ketenafspraken met aanbieders zodat er tijdig zorg kan worden geboden.” Volgens de woordvoerder gaan gemeenten „het gesprek aan met de keten van aanbieders” als de wachttijden te lang zijn.

De woordvoerder laat weten dat het om „wederzijdse verantwoordelijkheden” gaat en dat gemeenten en zorginstellingen „goede afspraken” moeten maken. De VNG erkent dat het „nog niet overal even soepel loopt”.

Brancheclub GGZ Nederland heeft „voortdurende aandacht” voor de wachttijden. Die worden veroorzaakt door „het onvoldoende functioneren van de keten. Van belang is dat alle partijen hun bijdrage blijven leveren om de cliënten die zorg nodig hebben, zo snel mogelijk de juiste plaats te bieden”.