Column

De taal van mislukking en succes

Dat succes en mislukking aan een bepaalde woordenschat zijn verbonden was deze week goed te horen. „Niets is sterker dan dat ene woord”, zongen tienduizenden fans afgelopen maandag in Rotterdam samen met Lee Towers: „Feyenoord. Mijn Feyenoord.” De Coolsingel „stond in vuur en vlam”, meldde het Journaal, en geïnterviewde fans struikelden van opwinding bijna over hun woorden. Fantastisch, prachtig, geweldig, mooiste dag ooit, enzovoorts.

Diezelfde avond kwam het bericht dat de formatieonderhandelingen in Den Haag waren mislukt. „Migratie bleek vandaag de drempel die te hoog was. Op sommige onderdelen was de kloof te groot om elkaar te naderen”, verklaarde informateur Edith Schippers.

„Zijn er schuldigen aan te wijzen”, luidde een van de eerste vragen in het Journaal aan een Haagse verslaggever. Een opmerkelijke vraag, die veronderstelt dat mislukking automatisch is gekoppeld aan schuld. Bij een verloren voetbalwedstrijd worden al snel bepaalde spelers aangewezen als boosdoeners. Bij mislukte formatieonderhandelingen moeten er blijkbaar ook zondebokken zijn.

Ik denk dat je dit kunt interpreteren als een vorm van framing. Mislukking moet íémands schuld zijn en wie schuldig is verdient straf, zo is een gangbare gedachtengang. Een logische straf voor een politicus die zich schuldig maakt aan onwelwillendheid, zou zijn om hem verder buiten de onderhandelingen te houden. En op langere termijn, om niet meer op hem of haar te stemmen.

In feite klopt die logica niet. Je kunt natuurlijk net zo goed stellen dat een politicus die vasthoudt aan bepaalde hoofdpunten in het verkiezingsprogramma, zoals migratie, trouw is aan zijn principes en verkiezingsbeloften. Een coalitie kan alleen op basis van compromissen tot stand komen, maar een compromis afwijzen maakt je niet automatisch schuldig aan onwelwillendheid.

Gelukkig namen de betrokken politici het woord schuldigen zelf niet in de mond. In hun eerste reacties waren ze juist opvallend vriendelijk over elkaar en werden er geen zondebokken aangewezen. „We zijn er niet uitgekomen en dat vind ik uiterst teleurstellend”, zei Alexander Pechtold. Ook Van Haersma Buma gebruikte het woord teleurstelling, Rutte spijtig en Jesse Klaver zei dat een en ander „helaas niet [was] gelukt”. Het voordeel van zulke neutrale formuleringen is vanzelfsprekend dat je de deur op een kier houdt; wie meteen schuldigen aanwijst, gooit de deur juist dicht.

Iets heel anders. Onlangs deed ik een oproep om taallijstjes in te sturen (post@ewoudsanders.nl). Die stromen binnen en blijven welkom. Er zitten prachtige, originele lijstjes tussen. Bijvoorbeeld dit lijstje met zeven katholieke afkortingen, zoals te vinden op onder andere bidprentjes, wenskaarten en (soms) beelden in kerken. Ter toelichting schreef de 65-jarige inzender: „Ik moest mijn 94-jarige moeder een paar maal om raad vragen.” Hier komen ze:

1. B.v.m. = bid voor mij;

2. I.b.v.u. = ik bid voor u („deze twee stonden vaak samen op een prentje met een religieuze voorstelling op de voorzijde”);

3. B.v.o. = bid voor ons („vaak op de voet van heiligenbeelden in kerken”);

4. Toeg.i.X = toegenegen in Christus („als afscheidswens”);

5. Z.H. = Zijne Heiligheid (de paus);

6. Z.K. = Zalig Kerstfeest;

7. Z.N. = Zalig Nieuwjaar („die laatste twee vaak samen op een eindejaarskaart”).

In de maak is een lijstje met ergerniswekkende uitdrukkingen, zoals: ‘Ik zeg: doen!’ En: ‘Het is jouw feestje.’

schrijft over taal. Twitter: @ewoudsanders