Wilskracht kan uitgeput raken, maar hoe toon je het aan?

Wetenschappers moeten zich richten op de vraag hun hun onderzoek repliceerbaar wordt. En geen kostbare denkkracht verspillen aan het beschadigen van elkaar.

Illustratie Arjen Born

Roy Baumeister is op bezoek in Nederland. De Baumeister die vorig jaar nog uitgebreid in het nieuws kwam omdat in een groot internationaal onderzoek niet kon worden gerepliceerd dat er zoiets bestaat als ego-depletie – uitputting van wilskracht als gevolg van eerdere pogingen om niet toe te geven aan iets dat je wel wil maar niet mag. Van Baumeister’s bezoek zal de gemiddelde Nederlander weinig meekrijgen. Een mogelijk publiek optreden over wilskracht werd afgeblazen toen bleek dat de organisatoren een openbare boetedoening voor ogen hadden waarin de beroemde wetenschapper zou vertellen hoe het is om onder vuur te liggen met een onderzoeksprogramma dat in de jaren daarvoor nog bewondering oogstte.

Gedrag aanpassen

Ik snap dat mensen daar graag meer over willen horen, maar het is natuurlijk belangrijker om te weten hoe het nu precies zit met ego-depletie. Een mislukte replicatie is een serieus signaal en Baumeister en zijn collega’s zouden er goed aan doen om diep na te denken over de vraag wanneer en waarom mensen zich niet langer kunnen beheersen – meer dan ze tot dusver in hun publicaties hebben laten zien. Veel mensen binnen en buiten de universiteit zijn dusdanig gefascineerd door ego-depletie dat er snel duidelijkheid moet komen of en onder welke condities het fenomeen bestaat. Zo wordt ook in het recente rapport Weten is nog geen doen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid regelmatig verwezen naar ego-depletie, simpelweg omdat het verstrekkende gevolgen heeft voor het begrijpen van de mate waarin mensen bereid en in staat zijn om hun gedrag in goede banen te leiden. Vooralsnog lijkt het erop dat ego-depletie wel bestaat maar dat de gehanteerde onderzoeksmethode niet toestaat antwoord te geven op de vraag hoe lang het aanhoudt, wie er vatbaar is, en hoe snel iemand weer herstelt.

Lastiger te beantwoorden is de vraag op welke manier we moeten omgaan met bevindingen die niet opnieuw kunnen worden aangetoond door een andere onderzoeksgroep. Gebrek aan robuuste resultaten ondermijnt het vertrouwen in de wetenschap (en ook voortuitgang in de wetenschap zelf) en het is belangrijk dat psychologen er alles aan doen om te laten zien dat hun uitkomsten geen toevalstreffers zijn. De replicatiesdiscussie die nu woedt, draagt daar weinig aan bij. Het gaat vaak om grote namen die in het beklaagdenbankje worden gezet door aanstormende onderzoekers die kans zien om zich te manifesteren in het competitieve wetenschapsklimaat en die soms meer geïnteresseerd lijken in hun eigen succes dan in waarheidsvinding. Geen wonder dat de grote namen knorrig en defensief reageren.

Gekibbel moet stoppen

Het zou fijn zijn als dit openbare gekibbel zou stoppen en wetenschappers zich weer buigen over de echt belangrijke kwesties. Hoe krijgen we voor elkaar dat onze resultaten betrouwbaar zijn en ook standhouden buiten het lab zonder alle creativiteit te doden? Hoe creëren we een klimaat waar in onderzoeksresultaten bediscussieerd en betwijfeld kunnen worden zonder dat iemand direct verdacht is? En vooral, hoe zorgen we er voor dat nieuwe ideeën geëxploreerd kunnen worden voordat de vraag naar confirmatie aan de orde komt? Het is te hopen dat slimme onderzoekers zich niet laten weerhouden door de huidige replicatiecrisis en blijven nadenken over wanneer en waarom wilskracht uitgeput raakt. Juist door het uitblijven van replicatie zouden wilskracht-onderzoekers geïnspireerd moeten worden om nieuwe wegen in te slaan om uitputting van zelfbeheersing beter te begrijpen.

Denise de Ridder is hoogleraar psychologie aan de Universiteit Utrecht en doet onderzoek in het SelfRegulationLab. De gedragscolumn verschijnt wekelijks en wordt geschreven door sociale wetenschappers.