Recensie

Whitney Houston-docu blijft ver van de riooljournalistiek

De documentaire Whitney: Can I Be Me focust op Whitneys wereldtournee van 1999: het begin van het einde.

Can I Be Me focust op Whitney Houstons wereldtournee van 1999.

Je zou er bijna niet meer beroemd van willen worden. Of zijn de tragische levens van Kurt Cobain en Amy Winehouse, slechts twee van de vele popsterren wier teloorgang de afgelopen jaren in inventieve documentaires werd uitgeplozen, juist daarom zo aantrekkelijk? Om de impliciete waarschuwing dat, zoals dat in Spider-Man heet, „great powers come with great responsibilities”. Oftewel: dat wie getalenteerd is niet altijd het talent heeft om zichzelf van zelfdestructie te weerhouden?

Het leven van Whitney Houston (1963-2012) is veel minder gedocumenteerd dan dat van Winehouse of Cobain. De onder nooit helemaal opgehelderde omstandigheden gestorven Amerikaanse zangeres bereikte de top met hits als I Wanna Dance With Somebody (Who Loves Me) (1987) en I Will Always Love You (1992), voordat internet sterren 24 uur per dag in de gaten kon houden. In zijn ongeautoriseerde documentaire Whitney: Can I Be Me blijft de Britse regisseur Nick Broomfield opvallend op de achtergrond.

Broomfield staat bekend om sterrenportretten en schandaalverhalen waarin hij zelf als ondervrager nadrukkelijk op de voorgrond treedt. In Can I Be Me focust hij middels archiefmateriaal, interviews, en tot nu toe onbekende backstage-beelden op Whitneys wereldtournee van 1999: het begin van het einde. Stress, drugsgebruik, het verwijt van de zwarte gemeenschap dat ze te wit was en het wellicht daarmee verband houdende belabberde huwelijk met r&b-bad boy Bobby Brown eisten hun tol.

Een meisje uit ‘the hood’

Hoewel bijna respectvol, weet Broomfield toch een schuldige aan te wijzen. Of beter gezegd: een hele familie aan schuldigen. De Houstons vormden de entourage waarmee Whitney de wereld rondreisde, die steeds meer van haar inkomen afhankelijk werd. Haar broers waren haar eerste dealers, haar zwaar-religieuze en homofobe moeder (en zelf geflopte gospelzangeres) accepteerde haar liefdesrelatie met jeugdvriendin en persoonlijk assistent Robyn Crawford niet. Verder beklemtoont Broomfield dat Whitney ondanks het ‘classy’ imago dat ze door de platenmaatschappij kreeg aangemeten altijd een meisje uit ‘the hood’ is gebleven.

Opmerkelijk van de man die eerder niet schroomde om in een New Yorkse fetisjclub mensen te filmen die toiletten schoonlikken, is dat Broomfield zich ditmaal verre van riooljournalistiek houdt. Er zijn bijna geen beelden van Whitney onder invloed, en ook het tragische lot van haar dochter Bobbi Kristina, die enkele jaren na haar moeder stierf, wordt discreet buiten beeld gehouden. Had hij gehoopt dat hij zo meer boven tafel zou krijgen – net als in zijn met vermakelijke samenzweringstheorieën volgepakte muziekdocu’s Biggie & Tupac en Kurt & Courtney? Of is hij stiekem gewoon een enorme fan? Want als er één ding duidelijk wordt, ook voor de niet-hardcore fans, is het wel wat een dijk van een stem Whitney had en wat een leuk mens ze was. Misschien is dat wel de winst van deze film.