‘Het is me gelukt te toveren; een bioscoopfilm uit 600 foto’s’

Fiona Tan

In Ascent komt via 600 foto’s de hoogste berg van Japan, de Fuji, tot leven. Terwijl de foto’s langstrekken klinken de intense herinneringen van een Japanse man en een westerse vrouw. Het resultaat is overweldigend.

Ascent bestaat uit glijvluchten langs 600 foto’s van de Fuji, de hoogste berg van Japan.

Ascent is overduidelijk een bioscoopfilm – ook al bestaat hij uit glijvluchten langs 600 foto’s van de Fuji, vulkaan en de hoogste berg die Japan rijk is. De berg die sinds de uitvinding van de fotografie tot op de dag van vandaag wordt gefotografeerd, door Japanners met camera’s. Een toeristisch cliché? Nee, hoeders van de mythe van de Fuji.

Maker Fiona Tan (1966) lacht haar gorgelende lachje. Ze vertelt hoe ze de foto’s van de berg bekeek en dacht: „Waarom maken Japanse mensen die? Omdat de Fuji een houvast is. De Mont Blanc is maar vanaf één punt de Mont Blanc. Sta je ergens anders dan herken je hem niet. Maar de Fuji is altijd de Fuji. Voor Japan draait de wereld om deze berg.”

Tan, opgeleid aan de Rietveld Academie, wereldwijd bewonderd maker van foto- en video-installaties, weet nog dat op zeker moment de schrik haar om het hart sloeg: 80 minuten lang foto’s met die Fuji erop, wordt het publiek daar niet moe van? Ik zeg dat ik de film juist elke minuut spannender vind: ik wéét dat ik in ieder shot de Fuji zal zien, maar ik weet niet hóé!

De bedoeling was een video van een minuut of tien. En toen zette Tan in op overmoed en waanzin: „Ik wilde verdomme een bioscoopfilm maken met alléén maar stille plaatjes van één en hetzelfde ding. Dat is me gelukt. Het is me gelukt om te toveren.”

Wat was de toverspreuk?

„Nu vraag je me: wat is kunst. Daar geef ik geen antwoord op. Daar heb ik mijn leven aan gewijd.”

Ascent begint in de wolken. Daar duikt voor het eerst de Fuji op, via een luchtfoto van de krater. Wit besneeuwd, een aangevreten ijsje. Er vloeit een volgende foto binnen. Nu is de top zwart, de camera beweegt erlangs. We dalen af, gaan naar de stad aan de voet, naar de vallei eromheen. En steeds is ergens op de foto die berg, viriel in het midden, een topje in de verte, een prikkelige flank met mensjes erop.

We zien wazige kiekjes naast geniale foto’s, uit alle tijden. Foto’s van toeristen met smartphones, van een jonge Hirohito in westers wandelkostuum. Studiofoto’s uit de jaren 20, waar wordt geposeerd als samoerai, als geisha. Filmstills van monster Godzilla. Maar of de Fuji nu fungeert als decor, of hij wordt gestoofd door zonsondergangen, verdoofd door een violette bloemenzee of beklommen door slingerende rijen toeristen, altijd speelt hij de hoofdrol.

Terwijl de foto’s langs trekken, horen we een Japanse man en een westerse vrouw praten. Apart van elkaar, maar het knettert tussen hen. De man doet, soms hijgend, verslag van zijn beklimming van de Fuji. De vrouw herdenkt de man, hun liefde en wat hij haar leerde over Japan.

De vrouw zegt: ‘I think of you, Hiroshi’ – en ik denk automatisch aan Hiroshima mon amour. Legendarische posttraumatische oorlogsfilm van Alain Resnais uit 1959, met een Japanse man en een Franse vrouw. Minnaars die tot scheiding gedoemd zijn.

Tan lacht me uit. „Hiroshi heeft niets met Hiroshima te maken. Hij was een Japans jongetje met wie ik op de kleuterschool zat.”

Maar er klinken in Ascent wel degelijk echo’s van Hiroshima mon amour. In beide films symboliseert een liefdespaar dat Oost en West onoverbrugbaar van elkaar verwijderd zijn. Tan laat zelfs enkele zinnen uit die film bij de hare klinken: ‘J’ai tout vu à Hiroshima‘, zegt de vrouw. ‘Je hebt niets gezien’, antwoordt de man.

„Ik zat te schrijven en ineens dacht ik aan die zinnen”, zegt Tan. „Ze gaan over ontkenning en dat is voor mij de kern van het probleem van de Tweede Wereldoorlog.”

In ‘Hiroshima mon amour’ worden foto’s ‘reconstructies bij gebrek aan iets anders’ genoemd.

„Dat doet mij denken aan een zin die ik gisteren las: ‘Geschiedenis is het gebied waar vergeetachtigheid en documentatie elkaar ontmoeten’.”

Ze vertelt dat Ascent begon toen ze stuitte op foto’s van de Amerikaanse bezetting na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. „Amerikaanse gevechtsvliegtuigen die in formatie over Fuji vliegen – symbolischer kan niet.” Ze installeerde een website die vroeg om Fujifoto’s. Een jaar later had ze 4.000 stuks. Ze begon te ordenen: een mapje blauw, mapjes wolken, bloemen, witte hoeden, uiteindelijk had ze 80 categorieën. Terwijl ze zich de foto’s toe-eigende begon ze te schrijven, monologen voor een man en een vrouw. De Japanse man klimt naar de top van de Fuji, de Europese vrouw klimt in haar hoofd.

„Zij staat in het leven. Hiroshi niet meer. Kort nadat ik de film af had, is mijn vader plotseling overleden. Zie het niet als een sleutel tot de film, maar het was wel of ik dat heb voorvoeld.”

Hoe is uw verhouding tot Japan?

„Ik ben daar overduidelijk een buitenstaander. Mijn vader was Chinees. Ik ben half Chinees. Japan is oosters maar het is anders dan mijn oosters.”

Hoe oosters voelt u zich?

„Een beetje. Ik ben minder Chinees dan ik wil toegeven en meer Chinees dan ik denk.”

Ik bekijk Ascent voor de derde keer, ditmaal op een enorm scherm in een volle zaal. Behalve door de beelden en de hallucinerende ‘gesprekken’ tussen vrouw en man, tussen aarde en hemel, word ik nu overweldigd door het geluid. Vogels, treinen, de wind. Ik schud in mijn stoel bij het donderen van de vulkaan.