Albumoverzicht: de prettige flow van Josylvio, diverse Guitar Vibes

De muziekrecensenten van NRC bespreken de nieuwe albums die deze week uitkomen. Met ook Blondie, Paul Weller, Trombone Shorty en At the Drive In.

  • ●●●●

    Josylvio: 2 Gezichten

    Hiphop:

    In de eerste seconden van 2 Gezichten inhaleert Josylvio een joint en zegt hij: „Het is snel gegaan, man.” Vorig jaar stond zijn debuutalbum Ma3seb zonder veel fanfare vijf maanden in de hitlijsten; 2 Gezichten kwam deze maand binnen op nummer 2. Josylvio is in korte tijd een eredivisie-rapper geworden. Zijn album-intro zet de toon. Op een onderkoelde productie van Van Klasse-labelbaas Esko, is hij intiem en trots, melancholisch en strijdbaar.

    Het lijkt op 2 Gezichten vaak alsof hij rechtstreeks met vrienden praat over codes van de straat. Josylvio herhaalt graag dat hij zich focust op geld in plaats van vrouwen; hij praat niet met politie en draagt zijn moeder op handen. Zijn flow is prettig; soms rauw afgevuurd, dan ontspannen en steeds gecombineerd met elektronisch bewerkte melodieën op vaak sfeervolle producties. Ooit leefde Josylvio tussen lege koelkasten en radicale gedachten, rapt hij. Het is snel gegaan.

    Saul van Stapele

  • ●●●●●

    At the Drive In: in·ter a·li·a

    Heavy:

    Was dat even schrikken, toen rond de eeuwwisseling plotseling een stelletje theatrale hippies de divisie der zware gitaren binnen kwam denderen. At the Drive In, afkomstig uit El Paso (Texas), maakte furieuze post-hardcore met gillende trilzang en schreeuw-parlando waarin rechttoe-rechtaan-akkoorden verboden waren en alles dartelde. Bandleden hadden kapsels als lampenkappen, zwalkten tapdansend/moonwalkend over het podium en lieten zich als stervende zwanen ineenzakken. Aanstellers, jazeker. Maar ze maakten wel een wereldplaat: Relationship of Command (2000).

    De pest van pionieren is dat erkenning vaak te laat komt. Want al in 2001 ontplofte de band (om op te gaan in de nog megalomanere progrockband The Mars Volta). En nu er zestien jaar later een reünieplaat is, heeft de concurrentie de kunst natuurlijk allang afgekeken. Dat de band nog steeds uitblinkt in pretentie en pathos, blijkt alleen al uit de albumtitel in·ter a·li·a. Zanger Cedric Bixler Zavala heeft nog steeds emoties (én stembanden) van elastiek, terwijl kompaan Omar Alfredo Rodríguez-López stortbuien aan hysterische noten uit zijn gitaar tovert. Vernieuwend? Mwhoah. Is dat erg? Welnee.

    Frank Provoost

  • ●●●●●

    Izhar Elias: Guitar Vibes

    Klassiek:

    Als klassiek gitarist loop je het risico te worden gereduceerd tot het ‘Concierto de Aranjuez’. De Nederlandse gitarist Izhar Elias verzamelt op zijn nieuwe cd vier zeer diverse stukken, die dwars door genregrenzen een beeld geven van welke ‘guitar vibes’ er zoal nog meer zijn. Aanvankelijk klinkt dat niettemin behoorlijk latino, met een druistig dansstuk van de (destijds negentienjarige) Cubaanse gitaaricoon Leo Brouwer en de ‘Guernica suite’ van Máximo Diego Pujol, naar het schilderij van Picasso.

    Het interessantst is het enige stuk van een componist die niet zelf ook gitarist is, de Puertoricaan Roberto Sierra. Zijn ‘Tríptico’, geweldig gespeeld door Elias en het Matangi Quartet, is een feest van ongewone kleuren en timbres. Het sluitstuk is een strijkkwartetversie van ‘Schattenspiel’, het dubbelconcert voor klassieke en elektrische gitaar dat componist-annex-metalgitarist Florian Magnus Maier in 2014 voor Elias schreef. Het blijft een boeiend werk, maar naarmate Maiers metalgitaar de overhand krijgt wordt het wat voorspelbaar en wijdlopig en mis je de orkestrale pompkracht.

    Joep Stapel

  • ●●●●

    Paul Weller: A Kind Revolution

    Pop:

    Voor de warme samenzang in het openingsnummer ‘Woo Sé Mama’ van zijn dertiende soloalbum haalde Paul Weller de soullegendes Madeline Bell (Blue Mink) en P.P. Arnold (‘The First Cut is the Deepest’) naar de studio. 25 jaar na zijn solodebuut mag ex-punkrocker Weller zich evengoed tot de aristocratie van de (in zijn geval blanke) Britse soul rekenen, met de toevoeging dat er in zijn muziek nog altijd ruimte is voor experiment en artistieke expansie. ‘A Kind Revolution’ toont zijn veelzijdigheid in alle facetten, van psychedelische funk in ‘She Moves with the Fayre’ tot de schilderachtige folkjazz van ‘Hopper’. Het samenbindende thema van Wellers zoektocht naar een betere wereld maakt A Kind Revolution tot een What’s Going On (het maatschappijkritische meesterwerk van Marvin Gaye) voor de harde Brexitjaren die er aan komen.

    Jan Vollaard

  • ●●●●●

    Trombone Shorty: Parking Lot Symphony

    Jazz:

    Hij was de jonge vaandeldrager uit de muziekwijk Treme in New Orleans, die, ontheemd na orkaan Katrina, zijn stad letterlijk omhoog blies met onvermoeibare, knetterende tromboneslides. Het werd de kracht van multi-instrumentalist en zanger Troy Andrews, alias Trombone Shorty: het moderniseren van een oude New Orleans muziektraditie. Zo ook op zijn nieuwe Parking Lot Symphony. In ‘Fanfare’ raakt Trombone Shorty het traditionale straatmarsgeluid, en ‘Tripped Out Slim’ heeft met zijn vinnige funkblazers en hey-hey-koortjes een uitgelaten jamgeluid. Verder zijn er twee naar voodookoningin Laveau Dirge vernoemde nummers en is Allen Toussaints ‘Here Come the Girls’ vol en pakkend.

    In zijn overstap naar het label Blue Note kiest hij echter ook voor wat we ook al hoorden op zijn vorige album: dunnere r&b-liedjes met meezingrefreintjes, een inmiddels veel geziene spagaat. Op zich niets mis mee, maar het levert weinig nieuwe gezichtspunten op.

    Amanda Kuyper

  • ●●●●

    Blondie: Pollinator

    Pop:

    Zangeres Debbie Harry is inmiddels 71 en zo goed bij stem dat je nauwelijks verschil hoort met haar kauwgomkauwende nonchalance in vroege Blondie-hits. En zo is er meer uitzonderlijk aan het nieuwe album Pollinator, waarvoor een reeks jonge(re) songschrijvers de liedjes schreef. Bekende en semi-bekende muzikanten als Dev Hynes, Johnny Marr en Sia leverden songs als ‘My Monster’ en ‘Already Naked’ waar de muzikanten, met Harry zelf voorop, vitaal doorheen walsen.

    De dance-pop-achtige liedjes, waarin keyboards, Giorgio Moroder-achtige basritmes en stralende synthesizers tot een gesmeerd geheel zijn gesmeed, echoën Blondie-hits als ‘Dreaming’ en ‘Atomic’, maar dan met eigentijdse stuwing. In hoog tempo wisselen de glansnummers elkaar af. ‘Fun’ (geschreven door Dave Sitek van TV on the Radio), ‘My Monster’ (Johnny Marr) en het Heart Of Glass-achtige ‘Long Time’ (Dev Hynes) zijn de hoogtepunten. De stoer zingende Debbie Harry geeft woorden als ‘baby’ een elegant zwiepje. En als ze het in ‘Long Time’ heeft over „racing down The Bowery” klinkt dat nog altijd geloofwaardig.

    Hester Carvalho