Commentaar

Tijd voor bezinning op kosten van grote voetbalfeesten

In Rotterdam, Amsterdam en Tilburg was zondag de politie massaal op de been vanwege het voetbal. Na de tromf van Feyenoord barstte aan het eind van de middag een massaal volksfeest los op de pleinen van de havenstad. Tien pelotons ME stonden paraat voor het geval de stemming zou omslaan – zoals vorige week nog gebeurde. De huldiging, maandag, van de landskampioen vergt wederom honderden ME’ers om de openbare orde en veiligheid te waarborgen.

Natuurlijk, voor de supporters van het winnend team is een voetbalfinale alleen maar feest. Maar de samenleving lijkt de met voetbal verbonden uitspattingen van geweld en vandalisme ondertussen als een normaal verschijnsel te beschouwen. Ter illustratie: naar aanleiding van de jongste rellen in Rotterdam zei een onderzoeker van de Leidse Universiteit dat gemeenten „ruimhartig” moeten omgaan met het „afwikkelen van de schade”. Wat vreemd is, zeker omdat hij niet de enige is die doet alsof de mannen – meestal zijn het mannen – die zich schuldig maken aan het slopen van gebouwen of het molesteren van anderen nu eenmaal ontoerekeningsvatbaar zijn op zulke momenten.

Maar dit soort ruimhartigheid onttrekt aan het zicht dat de kosten zo worden afgewenteld op de hele samenleving. Alsof het gaat om een natuurverschijnsel. Grootschalige politie-inzet kost veel geld. Voorzitter Gerrit van de Kamp van politievakbond ACP noemde het afgelopen week „triest dat een klein deel de rest met zo’n rekening opzadelt.”

Zoals NRC beschreef, heeft de politie in Amsterdam eens becijferd dat zij van het geld dat nodig was om de huldiging van het Nederlands elftal in goede banen te leiden, 20 jaar normaal politiewerk had kunnen bekostigen.

Er wordt bijna twintig jaar gedebatteerd over de vraag of en hoe voetbalclubs zouden kunnen bijdragen aan het betalen van de kosten van grootschalig politie-inzet. Onder het motto dat de clubs medeverantwoordelijk zijn voor de openbare orde buiten het stadion. Het vorige kabinet was aanvankelijk van plan een rekening van 30 miljoen euro bij het betaald voetbal neer te leggen. Maar toenmalig minister Ivo Opstelten (Justitie, VVD) zag daar later van af.

Bij het eeuwige debat over de kosten van grootschalige politie-inzet bij voetbal wordt vaak het klasseargument van stal gehaald: de kleine man wordt onevenredig getroffen als die moet opdraaien voor de kosten en er gaat immers ook veel geld naar kunsten. Maar dat is een schijntegenstelling: alsof mensen die van kunst houden niet naar voetbal gaan of omgekeerd. Pas wanneer grootschalige politie-inzet nodig zou zijn om bezoekers van het Rijksmuseum ervan te weerhouden naar Den Haag te gaan om op de vuist te gaan met de bezoekers van het Gemeentemuseum, zou de vergelijking kloppen. Maar bezoekers van het Concertgebouw slopen over het algemeen geen bushokjes en vallen niet in beschonken groepen voorbijgangers aan.

Het is tijd voor een hernieuwde bezinning op de kosten van voetbalevenementen. Waarbij het niet puur om de vraag gaat, zoals in het verleden, of de rekening zou moeten worden neergelegd bij de clubs – en zo indirect bij supporters die zich gedragen. Wellicht is het effectiever preventief beleid te richten op de achtergronden van de ontsporingen. Uiteindelijk gaat het er toch om de binnensteden te behoeden voor tribaal geweld. En dat de politie toe kan komen aan het normale politiewerk.