Cultuur

Interview

Interview

Foto's Merlijn Doomernik

‘Dolph, waarom kun je niet aanvaarden dat we oud zijn?’

Rita (79) en Dolph (80) Kohnstamm zijn allebei ontwikkelingspsycholoog. Na zijn hersenbloeding kreeg Dolph een grote fascinatie voor het brein. Hij schrijft erover, Rita helpt hem. „In het verpleeghuis stond ik bekend als die pratende meneer.”

Dolph Kohnstamm, 80, emeritus hoogleraar ontwikkelingspsychologie, heeft twee keer een hersenbloeding gehad, rechts achter zijn oog. Eerst een kleine, in 2009, en toen een grote, drie en een half jaar geleden. „We waren op Kreta”, zegt hij. „We hadden gezwommen in zee en ik kon bijna niet meer uit de branding komen. Het was een strand met van die grote kiezelstenen.”

„Je begon raar te praten”, zegt Rita Kohnstamm, zijn vrouw. „Toen wist ik genoeg.” Zij is 79 en ook ontwikkelingspsycholoog. Ze was hoofdredacteur van Ouders van Nu en van Psychologie Magazine. Ze schreef columns voor NRC.

Hij: „Rita en de kinderen zeggen nog steeds dat het kwam doordat ik zo gestresst was in die tijd. Ik werkte aan wat later dit boek is geworden.” Hij wijst naar de tafel, waarop De eigenander ligt. Dat gaat over het ‘ik-besef’ van mensen, het moment waarop ze voor het eerst ‘ik ben ik en niet iemand anders’ denken, meestal rond hun tiende.

Zij: „Je wás erg gestresst. Je bent altíjd gestresst als je aan het schrijven bent.”

Hij: „Ja, maar de neurologen zeiden dat je daar geen hersenbloeding van krijgt.”

Na de tweede bloeding was zijn hele linkerkant verlamd. Hij moest langdurig revalideren. Maar hij kon wel praten. „Dat is mijn redding geweest. In het Sint Jacob” – het verpleeghuis waar hij was opgenomen – „stond ik bekend als die pratende meneer.”

Zij: „Wat niet zo gek was, want nogal wat mensen daar zaten tegen de tegen dementie aan of konden helemaal niets meer.”

Hij: „Ze zaten maar voor zich uit te staren. Sommige mensen waren bang en onrustig, en dan praatte ik met ze om ze te kalmeren. De verpleging” – hij lacht – „wilde me eigenlijk niet meer kwijt.”

Zij: „Voor de verpleging was het leuk om je erbij te hebben. Aan jou viel tenminste nog eer te behalen. Maar je werd daar zo depressief, zó depressief.”

Hij: „Tot ik verder ging schrijven aan De eigenander.”

Zij: „Wat helemaal niet ging. Je wilde wel, maar je hoofd was er niet toe in staat. Het georganiseerde denken was er niet. De enige die er een touw aan kon vastknopen was ik, omdat ik je zo goed ken. Thuis typte ik alles over.” Ze loopt naar de keuken om koffie te zetten.

Hij, een beetje samenzweerderig: „Ik heb net een wetenschappelijk artikel geschreven over het ‘default-mode network’ in de hersenen, samen met Sander Daselaar van het Donders Instituut in Nijmegen. En Rita is dan degene die alles bij elkaar veegt en er een samenhangend geheel van maakt. Daar is ze zo goed in.”

Zij, weer terug met de kopjes: „Het was wel belangrijk dat Dolph dat toen deed. Blijven denken, blijven proberen. Niet dat hij ertoe moest worden aangespoord, want hij wilde alles wel. Heel vermoeiend.” Ze lacht. „Ik bedoel dat stimuleren belangrijk is bij mensen die zelf geen initiatief nemen. Toen Dolph weer thuis was, kon hij nauwelijks lopen, maar we deden alles zo normaal mogelijk. Gewoon met de tram de stad in, want als je met zo’n driepoot van hier naar de voordeur kunt komen, kom je ook wel op de halte.”

Neurowetenschapper

Dolph Kohnstamms fascinatie voor de biologie van het brein begon in die tijd, toen hij had ondervonden wat het met je doet als een deel ervan (tijdelijk) uitvalt. Hij ging boeken lezen die hij anders nooit gelezen zou hebben, als eerste My Stroke of Insight van de Amerikaanse neurowetenschapper Jill Bolte Taylor, die op haar zevenendertigste een hersenbloeding kreeg en zichzelf tijdens het proces bleef observeren. Ze schuifelt vanuit de badkamer terug naar haar slaapkamer en wil weer in haar warme bed gaan liggen. Maar dan hoort ze een donderende stem. ‘Als je dat doet, zul je nooit meer opstaan.’ Ze schuifelt verder naar de telefoon op haar bureau en belt de hulpdiensten. Die stem, bedacht Kohstamm, moest wel uit het niet-aangetaste deel van haar brein komen, en niet van boven of van buiten. Jill Bolte Taylor deed er trouwens zeven jaar over voordat ze weer de oude was.

Zij: „Stapels boeken over de hersenen werden hier bezorgd, Bol.com verdiende fors aan ons. De kinderen hadden met sinterklaas een surprise van dat blauwe mannetje gemaakt.” Ze lachen samen bij de herinnering. „Je bent toen ook Dick Swaab gaan lezen.”

Hij: „Veel eerder toch?”

Zij: „Nee, hoor.” Ze snijdt nog een stukje van de appeltaart op tafel. „Dolphs tijdsbesef is sinds zijn hersenbloeding niet meer helemaal wat het was.”

Hij: „In elk geval was ik niet gelukkig met Wij zijn ons brein. Wat Swaab schrijft over de vrije wil, dat het een illusie zou zijn… Nee, nee. Frits Bolkestein gaf me een boek van Theodore Dalrymple, de Britse gevangenispsychiater die zich beklaagt over neurowetenschappers, te beginnen met Freud, die ons hebben wijsgemaakt dat we niet verantwoordelijk zijn voor onze daden omdat we geen vrije wil hebben.” Hij schudt langdurig zijn hoofd.

Zij: „Hoe kun je een kind nou een beetje aardig groot brengen zonder het op die eigen verantwoordelijkheid aan te spreken?” Ze schudt ook haar hoofd.

Des te verraster was Dolph Kohnstamm toen hij afgelopen zomer in een interview met Swaab las dat die het zelfbewustzijn níet als een illusie beschouwt. Hij kocht Swaabs nieuwste boek, Ons creatieve brein, en maakte kennis met het default-mode network, het mijmernetwerk, waar volgens recente inzichten het zelfbewustzijn wordt geproduceerd.

Zij: „En nu is Dolph daar dus helemaal door gegrepen.”

Hij: „Ja, want dat ik-besef waar ik al jaren over schrijf, dat blijkt met hersenscans zichtbaar te kunnen worden gemaakt.” Opgetogen: „Eindelijk begint de neurowetenschap de psychologie te ontdekken.”

Of is het andersom? Ontdekt de psychologie de neurowetenschap?

Hij: „Dat zijn nou de vragen waar ik mee worstel.”

Zij: „Ik niet, hoor.”

Hij: „Maar we praten er wel veel over.”

Zij: „Ja, ja, ik worstel met je mee.” Ze lacht. „Maar voor mezelf, dat nadenken en schrijven en discussiëren en lezen, lezen, lezen, das war einmal. Bij Dolph houdt het niet op. Die gaat maar door en door en door. En daar ga ik dan in mee.”

Hij: „Jij schrijft ook nog. Al die aanvullingen op je boeken die je op je website zet.”

Zij: „Plichtsbesef.”

Alles is stoffelijk

Begint Dolph Kohnstamm nu ook te denken dat alles stoffelijk is en terug te vinden in het brein, net als Dick Swaab?

Hij, na enige aarzeling: „Zonder brein zouden we geen enkele gedachte hebben. In die zin is alles stoffelijk, ja. Generaties filosofen en psychologen hebben zich het hoofd gebroken over het raadsel hoe dat kan, hoe uit de materie geest kan ontstaan. Het opwindende is nu dat door de ontdekking van het default-mode network de oplossing opeens een stuk dichterbij is gekomen.”

Dan zet hij met de afstandsbediening de traplift in beweging, met daarop wat boeken die hij wil laten zien. Het duurt een paar minuten, het ding moet van boven komen en het huis, aan de Prinsengracht in Amsterdam, is smal en hoog. „Rita en onze zoon hebben hem laten aanleggen toen ik weer naar huis mocht. Na een paar weken vond ik al dat hij zo langzaam ging…”

Zij: „Opschepper.”

Hij lacht. „Goed, na een jaar dacht ik: liever lopen.”

Zij: „En toen heb je traplooples gehad.”

De lift blijft hangen achter de jassen aan de kapstok, het alarm gaat af. Rita Kohnstamm springt op en spreekt hem toe. „Rustig nou maar. Zie je, je kunt er best langs. Niet zo zeuren, hoor.”

Ze legt de boeken op tafel – Kohnstamms opnieuw in Amerika uitgegeven proefschrift over de psycholoog Jean Piaget, diverse vertalingen van Ik ben ik, ook in het Japans, een briefwisseling van Kohnstamms grootvader en diens zoon Max uit de oorlog – en zegt: „Dolph heeft steeds weer nieuwe fascinaties, heel leuk, heel creatief. Maar wáárom” – ze legt haar handen tegen elkaar – „moet er in gódsnaam altijd weer over geschreven worden? Waarom kun je niet aanvaarden dat we oud zijn?”

Hij zit te knikken. „Ja, ja, maar dat default-mode network, dat vind ik zo groot en zo belangrijk, daar móét ik over schrijven. Absurd dat het in de Nederlandse psychologie nog niet gebeurd is.”

Zij: „En hierna komt er weer wat nieuws, dat weet ik zeker, anders ga je dood. En toch” – ze lacht naar hem – „zal ik erop toezien dat je er dan niet meer over publiceert. Het is niet meer nodig, Dolph. Je hebt genoeg gedaan.”