Column

Burger mag zich best met landschap inlaten

Tijdens mijn ochtendwandeling kijk ik verrukt naar het weilandje naast de weg door het dorp (het dorp bestaat uit 84 inwoners en heeft nogal wat groene ruimte): bloeiend gras, pinksterbloemen, paardebloemen in schaterend geel. Daarachter staat een boomgaardje te bloesemen, tussen de bomen door zie ik de weilanden daarachter met zwartwitte vlekken van vee. Het is stil, dat wil zeggen de vogels zitten luid te joelen in de bomen en even hoor ik in de lucht ‘grutto grutto’, maar ik zie de roeper niet. In de verte staat de molen te zonnebaden en over het paadje tussen de weilanden waarvan de eigenaar een rand heeft gefreesd om er bloemen in te zaaien, komen twee mensen lopen die ik ken, ze wonen een paar dorpen verderop. We praten. Dat het hier zo heerlijk is met al die bloeiende bermen, zeggen ze. Bij hen, in de buurt van Bedum, is alles doods. Raaigras. Het eiwitrijke, onkruidarme, doodsaaie groene laken dat over het land wordt uitgespreid.

Dat hij een keer bij mij is geweest toen ik hier net woonde, herinnert de man zich, en dat ik toen bozig was over de maaimachine van de buurman. Ik bloos. Het is waar. Toen ik hier net kwam, uit de stad, vond ik dat het platteland stil moest zijn. Dat de boer achter eigenlijk aan mij moest vragen of het uitkwam als hij met zijn bosmaaier de slootkanten van het aan mijn tuin grenzende weiland wilde maaien.

Nogal gênante stadsmensenwensen. Alsof de mensen hier geen recht op leven en werken hadden.

Inmiddels is dat wel over. Veel van die geluiden zijn nuttige geluiden, en nuttige geluiden zijn alleen al daarom te verdragen. Tegenwoordig richt mijn zinloze woede zich op de kolencentrale die sinds een paar jaar uitzicht bedervend op de horizon staat en vieze lucht uitblaast, ook al beweren eigenaar RWE en minister Kamp dat deze centrale tot „de schoonste van Europa” behoort. Kan zijn. Maar dat is wat anders dan ‘schoon’. Dit terzijde.

En ook die versaaiing en verdoodsing van het boerenland vind ik enorm spijtig. Mijn dorp mag dan een bloeiend enclavetje zijn, zodra je erbuiten komt zie je eindeloze raaigrasvlaktes, rechtgetrokken sloten, enorme nieuwe veeschuren, nachtelijke verlichting. En nog maar zelden een rommelig bloeiend weiland, laat staan met een boom erin – een boom is lastig bij het maaien. Er staan nog maar nauwelijks meidoorns te bloeien langs de sloten – die haalt het waterschap weg want die hinderen hun boten en machines, er zijn nog maar nauwelijks weidevogels, al hoor je dan nog wel eens een grutto. Maar er is geen weiland meer waarin ze kunnen leven.

De boeren zijn boos als er zulke dingen worden gezegd. Op de website van vakblad De boerderij reageren ze als door een wesp gestoken als er iemand, uiterst genuanceerd en voorzichtig, ook maar iets durft te zeggen over het landschap, en schrijfster en journaliste Jantien de Boer heeft zich met haar stukken en haar boek Landschapspijn veel boerenwoede op de hals gehaald.

Veel boeren vinden zo’n strak laken een prima gezicht: productieland. Nuttig. En wie erover zeurt, is een stadse nitwit of kortweg, daarmee is eigenlijk alles gezegd, een burger.

Een zinloze tegenstelling. Ook wie zijn geld verdient met een fabriek wil wel eens iets anders zien dan het fabrieksterrein. Het is helemaal niet zo gek als burgers zich ook om het landschap bekommeren. De bloeiende bermen, het vogelrijke weiland, de geur van meidoorns, die maken een mens gelukkig. Die verjagen getob en gepieker. Die nodigen uit tot vrije gedachten.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.