Recensie

Kleurrijk KCO-debuut van Ryan Wigglesworth

Ryan Wigglesworth stond voor het eerst op de bok bij het Concertgebouworkest en dirigeerde een kleurrijke wereldpremière van eigen werk. Ook solo-hoornist Félix Dervaux maakte indruk.

Dirigent Ryan Wigglesworth. Foto Benjamin Ealovega

De Brit Ryan Wigglesworth is in eigen land al jaren een begrip. Sinds hij in 2012 huiscomponist was bij het Nederlands Kamerorkest, is zijn ster ook aan deze kant van de Noordzee rijzende. Vorige week maakte hij als dirigent én componist zijn debuut bij het Concertgebouworkest (KCO) – met onder andere een wereldpremière van eigen hand.

Wigglesworths Clocks from a Winter’s Tale is een spin-off van zijn recente Shakespeare-opera (The Winter’s Tale). Naar eigen zeggen schreef hij een symfonische bespiegeling op de beleving van tijd. Beierende buisklokken en tiktakkend slagwerk vormen dan ook een leidmotief in de driedelige partituur, waarin de componist zijn talent voor caleidoscopische orkestraties de vrije loop laat. Het uitstekend spelende orkest liet Wigglesworths expressieve timbremixturen maximaal broeien en flonkeren, maar kon niet verhinderen dat het soms ontbrak aan een dwingende lijn. Clocks from a Winter’s Tale bleek een schitterend muzikaal prentenboek, zij het van ietwat geïsoleerde impressies.

In het Hoornconcert van Oliver Knussen kwam het tot een kernachtiger verbinding van kleurgeving en dramaturgie. Dat was deels de verdienste van de virtuoos geïnstrumenteerde partituur, vol uitgekiende klankkleurestafettes en een-tweetjes tussen solist en orkest. Wat ook hielp: het verbluffende spel van hoornist Félix Dervaux, die met zijn amper 27 jaar tot de diepste geheimen van het koperspel is doorgedrongen. In Dervauxs handen werd de hoorn tot een wonderlijk fabeldier dat de luisteraar met een keur aan schal- en dempnuances meezoog in een sprookjesachtige klankwereld.

Dervauxs toegift, de ‘Prologue’ uit Benjamin Brittens Serenade opus 31, sloot mooi aan bij de ‘Four Sea Interludes’ uit vissersopera Peter Grimes. Wigglesworth mikte niet alleen op een evocatie van zilte briesjes en opspattend zeeschuim, maar belichte ook de duisterder ondertonen van het stuk over schuld en buitensluiting.