Recensie

Wie door de tijd reist draait al snel in cirkeltjes rond

Tijdreizen bestaat nog niet zo lang. Het is een negentiende-eeuwse uitvinding. Voordat de spoorwegen kwamen, waren mensen amper gewend om snel grote afstanden af te leggen, laat staan dat ze dachten aan reizen door de tijd. Maar het was de periode van de grote uitvindingen, dus was het een kwestie van tijd voor iemand de eerste tijdmachine bedacht: schrijver H.G. Wells. „Zijn familie noemt hem Bertie”, schrijft James Gleick in Time Travel, a history. Zijn prettig overvolle boek over de geschiedenis van het tijdreizen geeft je nog voor eeuwen van dit soort details om pubquizzen mee te winnen of elders (mede)nerds met absurde weetjes af te troeven.

De tijdmachine die Wells in The Time Machine (1895) beschrijft, lijkt vooral op een hometrainer met geïntegreerde filmprojector die nogal traag op gang komt wat het aantal beeldjes per seconde betreft, maar hij doet het. Het tijdreizen is, althans in fictie, een feit.

Begin 19de eeuw gaan ook steeds meer mensen Wells’ radicale gedachte aanhangen dat tijd ‘de vierde dimensie’ is. En al snel komen de paradoxen. Kun je terug in de tijd om je eigen grootvader te vermoorden toen hij een kind was? Als naar de toekomst reizen niet mogelijk is omdat je dan dingen verandert, kan er dan wel vrije wil bestaan, of ligt alles al vast? Wat is tijd eigenlijk? Iedereen weet het, maar zodra je het probeert te definiëren loop je in cirkeltjes vast.

Wetenschapsschrijver Gleick is vooral bekend van zijn boeken Chaos (1987, over de chaostheorie) en The Information (2011, over het ontstaan van het informatietijdperk). In Time Travel praat hij je tastend langs een leger aan fictieschrijvers, natuurkundigen, dichters, filmmakers en filosofen die ooit iets hebben bedacht over de aard van tijdreizen of tijd überhaupt. Hij vertelt op een even soepele, heldere ‘wat zijn we hier toch lekker onder ons’-toon over moderne natuurkunde als over eeuwenoude Griekse filosofie. En het zou me verbazen als hij ook uw favoriete tijdreisverhaal niet ergens in Time Travel noemt. (Hij noemde het mijne, uit 2013. Hij is bewonderenswaardig belezen én bijgelezen.)

Zijn praterige stijl heeft ook nadelen. Gleick schrijft niet altijd even geordend. Stiekem zat ik soms te snakken naar iets encyclopedisch: een lijst van hoofdpersonen achterin en wanneer ze leefden, bijvoorbeeld. Maar zo’n boek is dit niet. Gleick houdt wel van je, maar hij neemt je niet bij de hand. Als hij het in het eerste hoofdstuk heeft over „vijfentwintig jaar na The Time Machine” (het boek van H.G. Wells) heeft hij nog niet verteld dat dit boek in 1895 gepubliceerd was; dat krijgen we pas in hoofdstuk drie te lezen.

Maar misschien vindt hij dat we zoiets gewoon moeten weten, zoals hij ook ergens een kort Spaans citaat onvertaald laat waarvan uit de context duidelijk moet worden wat er staat. Wij tijdreis-geïnteresseerden zijn toch denkers onder elkaar. Gleick slaagt er knap in om die toon op een niet-arrogante manier aan te slaan. En hij is grappig. Als hij schrijft dat de bedenker van de many worlds interpretation op 51-jarige leeftijd overleed als kettingrokende alcoholicus, voegt hij daar gewoon aan toe: „Maar misschien alleen in dit universum.”

Gleick betwijfelt, schrijft hij op tweederde, dat er iets is wat „méér verwarrende, ingewikkelde en uiteindelijk futiele filosofische analyse heeft geïnspireerd” dan het begrip tijdreizen (al helemaal, zegt hij, omdat de mogelijke mededingers determinisme en vrije wil er sowieso mee verstrengeld zijn). Futiel, vast. Maar ik had dit boek, waarin ruim twintig pagina’s worden besteed aan vergeefse pogingen tot het definiëren van tijd, niet willen missen.