Column

Help! Frankrijk en Duitsland praten

Oef, de Nederlanders worden weer benauwd over de euro. Of liever, over de een-tweetjes die Frankrijk en Duitsland gaan houden over een beter beheer van de eurozone. Wat ECB-president Mario Draghi deze week in de Tweede Kamer over zich heen kreeg, ging allemaal dáárover.

Draghi wist van tevoren dat hij kon worden gemangeld. Hij heeft goede adviseurs, onder wie enige Nederlanders – de ECB is de enige Europese instelling waar de lidstaten consequent hun beste mensen heen sturen, geen rotte appels waar ze zelf vanaf willen. Draghi kent ook zijn klassiekers. Als Frankrijk en Duitsland sleutelen aan Europa en de euro, zijn Nederlanders altijd zenuwachtig. Als klein, betrokken land kun je de beste vrienden zijn met Duitsland, uiteindelijk word je altijd geofferd aan de Frans-Duitse entente.

De reden is dat Frankrijk en Duitsland, zodra ze aan de knoppen van de euro draaien, compromissen moeten sluiten. Per definitie, want ze komen uit andere culturele en politieke windrichtingen. Compromissen tussen die twee, daar draait alles in Europa om. Ook de euro, die – het kan niet vaak genoeg worden gezegd – geen monetair project is maar een politiek project.

Eerst klimmen de Fransen en Duitsers hoog in de boom. Je moet altijd méér vragen dan je redelijkerwijs binnen kunt halen. Zo heb je straks ruimte om de ander wat te geven, zodat hij óók wat geeft. Die voorsorteerfase gaan Frankrijk en Duitsland nu in. Sinds Emmanuel Macron de verkiezingen won, regent het weer statements en plannen: van Macron, Commissievoorzitter Juncker, minister Schäuble. Dadelijk zwelt ook het koor aan van specialisten en autoriteiten die iets wel of niet willen. Meestal zijn dat eindeloze herhalingen van zetten. Frankrijk wil altijd een Europees ministerie van Financiën, een eurozone-budget, eurobonds, enzovoort – als signaal dat de eurozone groot en sterk en solidair is, en dat aanvallen van beleggers op één euroland zinloos zijn omdat achttien andere landen keihard terugslaan. De Duitsers willen juist meer begrotingsdiscipline verankeren in het euroreglement en die koppelen aan harde sancties.

Sinds de jaren tachtig zijn deze opvattingen weinig veranderd. Langzaamaan naderen ze elkaar wel. Door de crisis kwam er een noodfonds, maar ook meer nadruk op nationale begrotingsdiscipline. Berlijn en Parijs geven elk wat, en nemen elk wat. Elk stapje is een stuitbevalling. Steeds baart de olifant een muis.

Nu Nederland. Als Duitsland en Frankrijk zich opmaken voor onderhandelingen over beter beheer van de euro, proberen ongeruste functionarissen op Financiën altijd garanties te krijgen van collega’s in Berlijn: dit of dat wordt niet weggegeven, daar en daar trekken we één lijn. Dat afstemmen gebeurt nu, as we speak. Deals over de euro worden echter niet door de Franse en Duitse ministers van Financiën beklonken, maar door de regeringsleiders. Alleen de twee regeringsleiders kunnen de politieke bruggen slaan. Dan overrulen ze dus hun eigen ministers. Zo gaan, onvermijdelijk, ook de Duits-Nederlandse afspraken eraan.

Dit gebeurde bij onderhandelingen voor het verdrag van Maastricht, bij het opstellen van het Stabiliteitspact, en in 2010 weer toen bondskanselier Merkel haar eis voor volautomatische sancties voor ‘eurozondaars’ introk. Weer vreest Nederland het ergste. Weer gaat het er, in een reflex, met twee gestrekte benen in. Draghi was toevallig de eerste die langskwam. Zonder hem was de euro er niet meer geweest. Terwijl eurolanden kibbelden, vocht hij met de enige bazooka die de euro heeft de belagers weg. Ironisch, dat juist hij de volle laag kreeg.

Caroline de Gruyter schrijft elke week over politiek en Europa