Column

Grote bedrijven zijn echt geen slachtoffer

De grote Nederlandse bedrijven in de slachtofferrol – ik heb er moeite mee. Deze week deponeerden de grootste bedrijven bij minister Henk Kamp een plan om een nieuwe wet te maken die ze een jaar bescherming gunt bij een overnamebod dat de bestuurders zelf als ongewenst zien, zo meldde Het Financieele Dagblad.

De wens valt in vruchtbare politieke aarde: die globalisering en dat neoliberalisme, veel politici vinden dat het is doorgeslagen. Zelfs de Europese Commissie schrijft deze week in een beschouwing over globalisering vraagtekens te plaatsen bij bepaalde buitenlandse overnames.

We zeggen het elkaar allemaal na: onze bedrijven zijn veel beter dan die Amerikaanse die hier komen overnemen. Onze bedrijven zijn duurzamer, en beter voor personeel. Ze hebben meer oog voor de lange termijn. Ik zoek naarstig naar hard bewijs daarvoor, bijvoorbeeld in het geval van AkzoNobel en de Amerikaanse belager PPG. Is een overname door PPG slechter voor werknemers dan de ingrijpende saneringsplannen die AkzoNobel aankondigde om de Amerikanen van het lijf te houden? Hoe weten we dat?

Het zit me niet lekker. Je voelt aan je water dat er maatregelen volgen die grote bedrijven meer beschermen tegen overnames. Maar wat zijn daar de gevolgen van? Ik vind het moeilijk om positieve te bedenken – ook al is het ook moeilijk om positieve gevolgen te zien als buitenlandse bedrijven de grote Nederlandse bedrijven wél overnemen.

Wat is mijn probleem? In alle denkbare opzichten zijn grote bedrijven een van de machtigste partijen in onze samenleving, om niet te zeggen: de machtigste. Ze kunnen zich naar believen verplaatsen naar waar de lonen en belastingen laag zijn. Ze hebben daarmee grote invloed op het beleid van overheden. En ze worden steeds groter (een argument tegen overnames). Het liberale Britse weekblad The Economist schrijft sinds enige tijd over the opkomst van de giant company. A giant problem, volgens het blad. Neem de grote Amerikaanse dataverzamelaars: Facebook, Google, Apple, Microsoft. Moeten die niet worden opgebroken omdat ze anders te machtig worden?

Tegelijk verandert de economie door technologie en globalisering fundamenteel. Uit alle cijfers blijkt dat het bedrijfsleven profiteert terwijl de ‘arbeider’ – vooral de niet-hoogopgeleide arbeider – verliest. Een steeds minder groot deel van het nationaal inkomen gaat naar lonen. DNB-baas Klaas Knot roept nu al jaren dat de lonen echt eens omhoog moeten.

En dan betalen bedrijven ook nog eens steeds minder rente en vennootschapsbelasting, berekende FNV-econoom Aldert Boonen op economenwebsite Mejudice. Tijdens de crisis bleven de winsten van het Nederlands bedrijfsleven daardoor prima op peil. Politici zoeken vertwijfeld naar manieren om de economische groei meer in de portemonnee van de gemiddelde burger te laten landen, want dat gaat niet meer vanzelf.

In deze constellatie gaan we dat beetje tegenmacht van het grote bedrijfsleven wegmaaien: de aandeelhouders. Het voorstel dat bij Kamp ligt, beperkt hun macht verregaand. Het klopt niet. Dit is een tijd van immense verandering én vooruitgang, waarin overheden goed moeten opletten hoe de kaarten vallen om te zorgen dat er geen groep is die structureel verliest. Het grote bedrijfsleven heeft alle kaarten in handen, waarom zou je er nog één aan ze geven?

Ik zou die kaart dan ook nooit zomaar overhandigen. Ik zou iets terugvragen. Bijvoorbeeld: nu we jullie toch zo eensgezind bijeen hebben, bedrijfstoppers, ondertekenen jullie meteen even een belofte om de lonen te verhogen, meer vaste banen te creëren, meer te investeren en belasting te betalen? Want in mijn optelsom hebben grote bedrijven nog altijd eerder tegenwicht nodig dan bescherming.

Marike Stellinga is econoom en schrijft elke zaterdag over politiek en economie