Column

Een wonder

Georgina Verbaan

Het is 1984. In een van zon verstoken appartement in een flat te Den Haag voltrekt zich een wonder. Op het eerste oog lijkt er niets bijzonders aan de hand. Behang – dat niet alleen bruin is omdat er elke twee dagen een pak shag en een blik zelfmaaksigaretten op organische wijze gefilterd worden door de twee enthousiaste vrijwilligers die hier resideren, maar ook omdat er op kunstige wijze draadjes sisal in verwerkt zijn – bedekt de muren van een krappe vierkante woonkamer. Voor kleine ramen, die in principe uitzicht bieden op een andere flat, hangen planten. Hangplanten. Lange, draderige planten in mandjes, waarvan ik me afvraag of ze zijn opgehangen omdat ze er zo sip uitzien, of dat ze er zo sip uitzien omdat ze zijn opgehangen. Maar het kan natuurlijk ook een zuurstofkwestie zijn.

De tegels kriebelen, nog erger dan de muur, en roepen de vraag op of hun structuur eeltvorming op voeten zou verminderen of juist zou vermeerderen. De vrijwilligers hebben het, vooralsnog, in elk geval nooit proefondervindelijk durven ondervinden, en dragen dagelijks pantoffels van een soortgelijke bruine stof, maar dan met ruitmotief en bruine plastic zolen.

De vrijwilligers zijn een man en een vrouw. Buren van een portiek verderop. De vrouwelijke vrijwilliger onderzoekt of het mogelijk is om de mannelijke vrijwilliger in leven te houden op een dieet van bier en gefrituurde koolhydraten. Dat lijkt voortreffelijk te lukken. De mannelijke vrijwilliger, die ook wel bekendstaat als De Walrus om redenen die zich laten raden, doet de inleiding. „Wat zien we hieâh?” Hij wijst naar een leren bank met donkere eiken poten. „Een bank?” Een snoer kerstlampjes licht op in zijn ogen. „Heil goed!” Zijn enthousiasme is te ruiken, en niet alleen zijn apocriene zweetklieren verspreiden een geestdriftige bierlucht, maar ook de pareltjes op zijn voorhoofd. Zelfs de planten leven mee en laten een mengsel van vocht, teer en nicotine uit hun huidmondjes lopen.

„En dit, wat is dit?” Hij wijst naar een eikenhouten salontafel met bruine tegels en grijs voegsel. „Een tafel?” Hij slaat zich op de benen. „So, jij ben ook geen halvûh tamme. Nâh de laatste dan. Wat denk jè, dat dít is?” Hoewel hij wijst op een doodnormaal, maar tamelijk groot, eikenhouten wandmeubel, heb ik het gevoel dat dit een strikvraag is. „Een… Een kast?” De vrouwelijke vrijwilliger komt er trots bij staan en de stemming slaat om van informeel naar ceremonieel. „Fâht! Ja, en goed natuâhlijk. Maah auk un ùitklapbed!” Ze rommelen wat aan de kast, en dan komt er, als bij toverslag, een strak opgemaakt bed uit naar beneden gezeild, met witte lakens en een bruine deken die aan de vloertegels en pantoffels doet denken.

De Walrus vraagt zijn vrouw om een ‘bùis’ en drinkt die leeg op de bank terwijl hij zijn kerstlampjes op het wonderbed gericht houdt. Ik ga deze middag spelen op het bed en me strak laten opvouwen in de kast . En omdat ik vijf ben, en nog niet weet dat er in de toekomst aardig wat mensen zullen sterven in dergelijke bedden, verschaft dat mij onnoemlijk veel plezier.