Dit is geen leven

Het zware lijf van de man schudt driftig heen en weer, en vrolijk kijkt hij ook al niet, maar uiteindelijk is hij waar hij wezen moet, bij de hondenspeelweide in het Beatrixpark. Zijn kleine terriër heeft de mand van zijn scootmobiel al verlaten, kwispelt en blaft vol verwachting. Dat is precies wat het baasje mist, verwachtingen. Welbeschouwd is de score nul. „Het is de pijn”, zegt hij als hij een smerige oude tennisbal voor de vierde keer heeft weggeslingerd. Terwijl zijn hondje met de bal in zijn bek terugkeert, zegt hij, wijzend op zijn orthopedische schoenen: „Wat ik nu in mijn voeten voel, is de normale toestand. Jij zou dit ondraaglijk vinden.”

’s Nachts, zegt de man, die zeventig blijkt te zijn, ’s nachts, in liggende toestand, is het pas écht erg. Niet altijd, hoor, maar toch wel drie keer in de week. Dan loopt hij de tuin in en wil hij de buurt bij elkaar schreeuwen. Helse zenuwpijnen doorklieven zijn gestel en dan loopt hij zomaar twee uur rond omdat de kwelling onder het lopen terugzakt naar het normale niveau, dat ik dus ondraaglijk zou vinden.

Soms wil hij dood. De woorden liggen ineens naast de bal in het gras. We kijken er samen naar. Ik weet niet wat ik zeggen moet, maar de man oogt gelaten met iets van een jongensblik, achter een bril en boven een witte snor. Ja jongen, wat moet hij anders? Wrokkig is hij niet, ondanks zijn makkes, zoals hij dat noemt. De voortdurende pijn, de zware pillen, de vele operaties, zijn te vroeg overleden vrouw: een langgerekte Murphy’s law.

Nogmaals bukt hij de bal en slingert hem weg met zijn werpstok. „Als ik hem niet had”, zegt hij, „zou ik er al lang een einde aan hebben gemaakt.”

Het keffende beest is zijn maatje voor dag en nacht, het ligt bij hem in bed; ook als hij een gat in de dag slaapt omdat hij er om twaalf uur weer eens uit moest, wacht het geduldig op wat komen gaat. Zonder de terriër zou hij hele dagen achter het raam zitten te somberen. Daarom drong zijn in Duitsland woonachtige dochter aan: pap, je moet een hond nemen.

Hij wilde geen hond: straks overleeft die terriër hem, die beesten kunnen achttien jaar worden. En wat dan? Hij wil niemand tot last zijn.

Zijn blik dwaalt over het gras. Tot twaalf jaar geleden was hij fit. Een voetballer – een góéde voetballer, al zegt hij het zelf. Een val in de douche, snijwond, een slecht behandelde ontsteking: een zeldzame gruwelijke ziekte greep hem en zal hem niet meer loslaten. Werken doet hij al lang niet meer, hij heeft niemand, alleen de terriër die nooit klaagt, net als hijzelf.

Vorig jaar gaf een arts hem nog drie maanden. Dat bleek een vergissing, maar van hem mag het gebeuren. De zware man staat in de stralende voorjaarszon en zegt: dit is geen leven.

Auke Kok is schrijver en journalist.