De pastoor die Jezus een peniskoker gaf

Foto Karoly Effenberger

‘Dat God de vader zijn zoon stuurt om ons te verlossen van onze zonden: laat me niet lachen! Dat kan toch helemaal niet?” Aldus Omer Gielliet, pastoor die niet in Jezus geloofde. Dat christendom was leuk en aardig, wilde hij maar zeggen, „maar ze moeten er geen leer van maken”.

Gielliet overleed afgelopen zondag op 91-jarige leeftijd in zijn pastorie achter de St. Barbarakerk in Breskens, Zeeuws-Vlaanderen. Behalve priester was hij beeldhouwer, schrijver en vooral: tegendraads denker.

In naam der naastenliefde rebelleerde hij tegen alle vormen van gezag, óók die van de katholieke kerk. Zo weigerde hij salaris, omdat hij niet het ‘bezit van het bisdom’ wilde zijn. Uit protest tegen het armoede- en vluchtelingenbeleid bood hij in zijn eigen huis onderdak aan tientallen daklozen en illegalen. Met de Vreemdelingenpolitie sprak hij af dat ze hem nooit zouden overvallen.

Gielliet werd op 14 mei 1925 als boerenzoon geboren in Biervliet. Naar eigen zeggen waren twee gebeurtenissen bepalend voor de rest zijn leven. Toen hij als zesjarig jongetje languit in een koolzaadveld lag, kreeg hij, omringd door al het natuurschoon, ‘een duwtje van binnen’ – ‘openbaring’ wilde hij het niet noemen.

Zijn artistieke roeping volgde toen hij als verliefde priester-in-opleiding werd verscheurd door twijfel over het celibaat. In een afgewaaide tak die hij op de zeedijk vond, zag hij zijn wanhopige toestand verbeeld. Door het hout verder uit te snijden, ontdekte hij dat beelden konden spreken waar woorden tekortschoten.

Afgewaaide takken werden boomstammen die hij – tot afgelopen najaar nog – te lijf ging met kettingzagen, schuurmachines, beitels en vijlen. Hij maakte er honderden, die behalve in en rond zijn eigen kerk, door heel Nederland en België zijn terug te vinden.

Gielliet was een pragmatische pastoor. Voor paters in de zending maakte hij beelden die aansloten bij de lokale religies. Dan kreeg Jezus een peniskoker en hing hij ondersteboven in een boom. In Breskens voer hij met lokale vissers mee en preekte in het café. Bij een boer die op sterven lag, haalde hij de oogst van het land alvorens hem te bedienen.

En ook al schonk zijn keuze voor het celibaat hem geen gezin, dankzij de vluchtelingen – die hem bleven bezoeken – had hij alsnog zijn eigen familie. Of zoals hij zelf zei: „Ik werd opa zonder oma.”