Opinie

De juffen hebben het weer gedaan

Er zijn natuurlijk jongetjes die niet gedijen bij een bepaalde stijl van lesgeven, maar om daarmee de hele groep jongens en juffen te stigmatiseren, is buiten proportie, meent .

Bij de School of Understanding ligt de nadruk op de individuele aanpak van de leerlingen. Hier de klas van juf Jet. Foto: Mats van Soolingen/Hollandse Hoogte

En daar was er weer één: een aanklacht tegen de ‘verjuffing’ van het basisonderwijs en het veronderstelde negatieve effect daarvan op het functioneren en de prestaties van jongetjes (NRC, 1 mei 2017). Een ogenschijnlijk logisch en herkenbaar verhaal dat al snel garant staat voor veel media-aandacht. Helaas komt de aanklacht tegen juffen voort uit een gemakzuchtige analyse die voornamelijk is gebaseerd op vooroordelen en anekdotes.

De stelling ‘juffen zijn niet goed voor jongetjes’ komt voort uit een typisch menselijke kwaal: het zien van patronen en daaruit oorzakelijke verbanden afleiden. Mensen houden nu eenmaal van een overzichtelijke, voorspelbare wereld. En denken we eenmaal een patroon te zien, dan worden gebeurtenissen en waarnemingen die dat patroon tegenspreken (onbewust) genegeerd en minder goed onthouden. Dat heet in de wetenschap confirmation bias: de neiging de wereld te bekijken op een manier die reeds bestaande denkbeelden bevestigt.

Dan is het niet moeilijk om meer anekdotes te vinden die inderdaad suggereren dat een juf niet goed is voor jongetjes.

Maar tegenover elke anekdote over ‘drukke’ jongetjes die zich van de juf (op onredelijke wijze) moeten beheersen, kan met gemak een andere anekdote worden geplaatst over stille jongetjes die maar weinig aandacht krijgen in de klas, omdat de drukke kinderen alle aandacht opeisen. Of anekdotes over drukke jongetjes die met wat extra structuur en rust het ineens veel beter doen op school.

De koppeling van het geslacht van de leerkracht aan de prestaties van jongetjes is ook problematisch. Ten eerste blijkt uit het schaarse onderzoek dat er op dit gebied is gedaan niet dat jongetjes beter presteren als ze les krijgen van een mannelijke leerkracht.

Ten tweede wordt gedaan alsof jongetjes bij mannelijke leerkrachten veel meer ruimte zouden krijgen voor ‘jongensachtig’ gedrag. Daar is niet alleen geen wetenschappelijk bewijs voor, het gaat ook voorbij aan de werkelijkheid van het basisonderwijs in de tijd dat er nog wél veel mannen voor de klas stonden en de jongetjes het nog comfortabel beter deden dan de meisjes.

In de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw was er geen sprake van dat jongetjes in de klas druk en onderzoekend gedrag mochten vertonen van hun meesters. Integendeel: kinderen zaten in keurige rijtjes en werden geacht stil te zijn en passief de lesstof te ondergaan volgens heel precieze regels en routines. Niks geen ruimte voor ‘gooien, rennen en stoeien’ of voor ‘bouwen, bewegen’. In een tijd van meesters en orde en discipline in de klas zonder bijzondere aandacht voor ‘jongensachtig’ gedrag, presteerden jongetjes prima. Toch pleit niemand voor herinvoering van orde en discipline om de prestaties van jongetjes te stimuleren.

In het artikel werd traditiegetrouw ook benadrukt hoe verschillend jongens en meisjes wel niet zijn. Plichtmatig wordt daarbij nog aangetekend dat natuurlijk niet alle jongetjes en juffen hetzelfde zijn, maar dat jongetjes toch echt als groep tekort komen bij juffen.

De verschillen binnen de geslachten zijn vele malen groter dan de verschillen tussen de geslachten.

Maar deze redenering zou veel beter omgedraaid kunnen worden: er zijn natuurlijk jongetjes die niet gedijen bij een bepaalde stijl van lesgeven, maar om daarmee een hele groep jongens en juffen te stigmatiseren, is buiten proportie. Er is inmiddels een bibliotheek volgeschreven over onderzoek naar geslachtsverschillen in vaardigheden en gedrag en in de wetenschap is de consensus dat de verschillen binnen de geslachten vele malen groter zijn dan de verschillen tussen de geslachten.

Dit geldt ook voor verschillen tussen mannen en vrouwen, en tussen meesters en juffen. Geslacht als uitgangspunt gebruiken voor de manier waarop een kind moet worden onderwezen of een oordeel over de manier waarop een leerkracht lesgeeft, is niet alleen wetenschappelijk onverantwoord maar ronduit discriminerend. En een versimpeling van een complexe werkelijkheid.

En geslacht leent zich bij uitstek voor zo’n versimpeling. Eén van de allereerste dingen die mensen registreren als zij iemand ontmoeten, is of die persoon een man of een vrouw is (of een jongetje of een meisje). Daarna vallen ons pas andere uiterlijkheden en kenmerken op. Ga maar na: je vergeet echt nooit welk geslacht iemand heeft, maar wel of ze een bril droegen, wat voor kleren ze aan hadden en hoe ze zich precies gedroegen.

Geslacht wordt daarom al snel als een heel belangrijke factor gezien om bepaald gedrag te verklaren. Persoonlijkheid, ervaring, en maatschappelijke invloeden zijn nu eenmaal minder makkelijk in één oogopslag te zien, waardoor ze niet zo aantrekkelijk zijn als uitgangspunt voor een snelle analyse. Dat mensen gemakzuchtige conclusies trekken, is een psychologisch mechanisme dat hoort bij menselijke informatieverwerking in het dagelijks leven, maar het is kwalijk als deze conclusies worden gebruikt in grootschalige mediagenieke discussies over onderwijs en kinderen.

Een gemakzuchtige analyse leidt onvermijdelijk tot ongefundeerde conclusies. Een vaak terugkerende conclusie is dat jongens en meisjes verschillend moeten worden onderwezen.

Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat dit allang gebeurt. Jongens krijgen in de klas meer aandacht dan meisjes, worden vaker beloond voor assertief gedrag, terwijl meisjes vaker worden beloond voor sociaal gedrag. En jongens krijgen meer uitdagende vragen terwijl meisjes al snel het antwoord krijgen voorgekauwd.

Dit gebeurt al vanaf de peuterspeelzaal – een fase overigens, waarin jongens en meisjes nog maar weinig van elkaar verschillen. Belangrijker: er zijn aanwijzingen dat deze verschillende behandeling de verschillen tussen jongens en meisjes in de hand werkt. In een peuterklas waren bij de tweejarigen nog geen verschillen in assertief en sociaal gedrag te zien tussen jongens en meisjes. Maar na een jaar, waarin bij de jongens de aandacht naar assertiviteit uitging en bij de meisje naar sociaal gedrag, bleken de inmiddels driejarigen keurig het stereotiepe patroon te volgen. De jongetjes riepen hard om aandacht en kwamen voor zichzelf op; de meisjes waren bescheidener.

Als recept voor stereotiepe ontwikkeling is deze insteek dus zeer succesvol.

Zelfs als de jongens en meisjes in de klas niet verschillend worden behandeld, maar wel te pas en te onpas worden herinnerd aan het feit dat er twee geslachten zijn, gaan kinderen zich stereotieper gedragen. In een interessante serie Amerikaanse experimenten werd in een aantal klassen zo min mogelijk aandacht gevestigd op geslacht (dus „goedemorgen kinderen” in plaats van „goedemorgen jongens en meisjes”), terwijl het in andere klassen juist werd benadrukt, maar dan zonder de jongens en meisjes verschillend te behandelen. Al na twee weken gedroegen de kinderen in de tweede groep zich meer conform stereotypen over jongens en meisjes. Ook speelden ze minder vaak met het andere geslacht.

Daarnaast legden de onderzoekers de kinderen vooraf en na afloop van het experiment beroepen voor. Wie kan later bij de brandweer werken, wie kan later voor de klas staan, wie kan later wetenschapper worden? Jongens, meisjes, of allebei? In de klassen met veel aandacht voor geslacht kozen de kinderen na afloop van het experiment veel stereotieper dan daarvoor. Ze vonden bijvoorbeeld dat werken met kinderen iets voor meisjes was en werken in de wetenschap iets voor jongens.

In de klas met minimale aandacht voor geslacht was dit niet het geval.

De aandacht vestigen op geslacht is dus een goede aanpak voor mensen die kinderen niet als individuen willen onderwijzen, maar als voorgeprogrammeerde leden van een maatschappij waarin mannen en vrouwen specifieke rollen moeten aannemen, waarin vrouwen juf worden en mannen het basisonderwijs mijden.

En daarin ligt natuurlijk de crux van het verhaal. Goed onderwijs betekent een zekere mate van aanpassing aan de behoeften en kenmerken van individuele kinderen. En dat is geen gemakkelijke opgave in een groep van twintig tot dertig kinderen en met een vast curriculum dat moet worden doorlopen.

Niet voor juffen en niet voor meesters.

Maar als dit op het individu gerichte onderwijsideaal te hoog gegrepen is in het huidige onderwijsbestel, mag geslacht niet als gemakkelijke tweede keus worden gebruikt om orde in de onzekerheid te scheppen. Daarmee worden zowel leerkrachten als kinderen gestigmatiseerd.

En krijgt nota bene een hele beroepsgroep van een bepaald geslacht de schuld van een ontwikkeling die we nog maar nauwelijks begrijpen.