Column

Zo komen we nooit bij de waarheid

Juan Gabriel Vásquez

In de stijl van New Journalism ontleedt Vásquez enkele moorden op Colombiaanse politici. De waarheid moet aan het licht komen. Maar wat is de waarheid bij fictionele geschiedschrijving?

Rellen in april 1948 in de Colombiaanse hoofdstad Bogota na de moord op politicus Jorge Eliecer Gaitan Foto AP Photo / E. L. Almen

De Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez wordt nogal eens tot de opvolger van Gabriel García Márquez uitgeroepen. Beiden schrijven meeslepend en hebben de geschiedenis van hun land een belangrijke plaats gegeven in hun boeken. Maar daarmee houden de overeenkomsten op. García Márquez (1927-2014) dompelde de Colombiaanse werkelijkheid onder in sprookjesachtige betovering. Vásquez (1973) benadert haar eerder als een journalist. Zorgvuldig ontleedt hij historische gebeurtenissen; tijdsbeelden roept hij zo waarheidsgetrouw mogelijk op. Gaandeweg is hij, in de stijl van de Amerikaanse New Journalism, daarbij ook zijn eigen persoon in het spel gaan brengen. In zijn ambitieuze roman De vorm van ruïnes gaat hij daar het verst in.

Drie verhalen strijden in deze roman om de voorrang. Wie zat er achter de moord op de populistische politicus Jorge Eliécer Gaitán, die in 1948 in Bogotá werd doodgeschoten? In wiens opdracht werd in 1914 de liberale politicus Rafael Uribe Uribe, op straat in Bogotá, met bijlslagen vermoord? Beide moorden stortten Colombia in diepe, gewelddadige crises en bepaalden het lot van het land. Maar wat hebben zij met elkaar te maken – en wat zegt dat over Colombia? Dat is de derde vraag, die dit boek bijeenhoudt in een verhaal: dat van de zoektocht van Vásquez naar de historische waarheid.

Duistere machinaties

Uitvoerig vertelt de schrijver hoe hij geïntrigeerd raakte door de moorden, op sleeptouw genomen door een fantast die daarachter niet twee maar één complot waarneemt. Dat zou de politieke werkelijkheid van Colombia nog altijd vanuit een duistere achtergrond bestieren.

Lang verzet Vásquez zich tegen de begoocheling van duistere machinaties, terwijl hij minutieus de beide gebeurtenissen ontrafelt. Maar aan het slot van het boek aarzelt hij. Zouden al die complottheorieën niet gewoon waar kunnen zijn? Zouden zij niet, zoals zijn informant zegt, ‘het monster met vele gezichten en vele namen’ aan het licht brengen dat steeds weer toeslaat ‘omdat dit treurige land van ons een soort hamster in een rad is’?

Het was diezelfde informant die de aanstormende schrijver Vásquez ooit zijn roeping als schrijver inprentte. Verhalen over fictieve personages en hun al even fictieve, persoonlijke probleempjes interesseren niemand. Over de werkelijkheid moest het gaan – en die is in Vásquez’ oeuvre dan ook steeds meer centraal komen te staan. Overdonderend brak hij in 2004 internationaal door met zijn roman De informanten, over Duitse vluchtelingen – eerst de joden, toen de nazi’s – die elkaar in Colombia weer tegenkwamen.

Drie jaar later vertelde Vásquez in De geheime geschiedenis van Costaguana hoe na de aanleg van het Panamakanaal een heel stuk land van Colombia werd afgesneden om – onder hoederschap van de VS – de staat Panama te worden.

In Het geluid van vallende dingen (2011) beschreef hij de opkomst van de drugshandel die het land in de jaren negentig grondig ontwrichtte. En in de novelle De reputaties (2013) bevroeg hij de macht van de pers en de morele plichten die daarmee gepaard gingen. Daarin voerde Vásquez ook voor het eerst zichzelf als romanpersonage op: ongetwijfeld omdat hijzelf als journalist en columnist diezelfde vragen te beantwoorden had. Zijn zelfstilering in De vorm van ruïnes is daar het logische vervolg op. Wanneer je je als schrijver de taak stelt de geschiedenis van je land te vertellen, dan breng je jezelf in het spel als zoeker naar die ongewisse waarheid. Dat doet Vásquez in dit boek met verve en uitvoerig – veel te uitvoerig zelfs. Op weg naar de conclusie vormt het boek één lange aaneenschakeling van uitweidingen en omwegen die lang niet altijd zinvol zijn.

In deze zelfstilering bereikt het werkelijkheidseffect van de roman haar hoogtepunt. De Juan Gabriel Vásquez die in het boek optreedt lijkt als twee druppels water op de auteur wiens naam op het omslag staat. Alle verifieerbare details kloppen – en dus ben je geneigd de zoektocht naar de historische waarheid rond beide vermoorde politici ook voor waar aan te nemen. Temeer omdat het Vásquez uitdrukkelijk te doen is om onthulling van wat er werkelijk gebeurd is. Wie daaraan nog mocht twijfelen, ziet zich in het boek geconfronteerd met een reeks (historische) foto’s die de echtheid van elk detail moeten onderstrepen.

Wel of niet geloven

Maar dan gaat er iets mis. In een toegevoegde ‘Noot van de auteur’ benadrukt Vásquez dat De vorm van ruïnes een fictief werk is. En hij vervolgt: ‘Alle personages, gebeurtenissen, documenten en episodes uit de werkelijkheid van vroeger en nu zijn tot een roman verwerkt met de vrijheid die inherent is aan de literaire verbeelding.’ Dat is kras, voor een auteur die zich zo uitdrukkelijk zegt toe te leggen op de onthulling van de Colombiaanse waarheid achter de schijn. Na zich meer dan vijfhonderd bladzijden door Vásquez te hebben laten meevoeren, vraagt de lezer zich af wat hij daarvan nu wel of niet geloven moet.

Dat probleem is inherent aan het soort fictionele geschiedschrijving dat populair is geworden sinds Javier Cercas in Spanje zijn roman Soldaten van Salamis (2001) publiceerde. Ook daarin beschrijft de auteur zijn eigen zoektocht naar een historisch voorval (uit de Spaanse Burgeroorlog) en ook daarin bleef onduidelijk waar de geschiedenis eindigde en de verbeelding begon. Dat is niet erg voor wie een louter fictionele roman wenst te lezen – of te schrijven. Maar juist Vásquez (die niet voor niets naar Cercas verwijst) wil méér. Zijn hele roman draait om de vraag of de complottheorieën van zijn informant waar zijn of niet – en dus wat de wérkelijke geschiedenis van zijn land is.

Dat Vásquez in De vorm van ruïnes net zo min als in De reputaties tot een eensluidende conclusie komt, is niet erg. Uiteindelijk ontsnapt het verleden ons: dat weten alle historici. Zelfs zijn halfslachtige suggestie dat de complottheorieën van zijn informant hem minstens voor een deel hebben overtuigd, valt te billijken.

Maar ernstig is wel dat hij er zich, wanneer het op de verantwoording daarvan aankomt, in zijn ‘noot’ met een jantje-van-leiden vanaf maakt. ‘De lezer is zelf verantwoordelijk voor alle overeenkomsten met het ware leven die hij in dit boek wil vinden’, zo besluit Vásquez. Dat is geen literatuuropvatting meer, maar een getuigenis van slapte. Met die uitvlucht (nogal populair in literaire kringen) neemt de schrijver een loopje met zijn pretentie literatuur te schrijven die er voor het historische zelfbesef van Colombia toe doet. Hij gooit de contradicties in zijn eigen aanpak in de pet van de lezer en zegt: zoek het maar uit.