Column

Van de oorlog krijg je nooit genoeg

Michel Krielaars

Een collega vroeg me na afloop van de jaarlijkse mei-herdenkingen waarom er in deze bijlage altijd zoveel boeken over de Eerste en Tweede Wereldoorlog worden besproken. „Het mag best een beetje minder”, adviseerde ze me welgemeend. „Helemaal niet!” antwoordde ik resoluut. „Want over die oorlogen valt altijd wel iets nieuws te melden en zolang dat het geval is, moet je als boekenredacteur alert blijven.” Ik doelde daarbij met name op het menselijk gedrag in tijden van oorlog en geweld, omdat juist dit je vaak voor raadsels stelt, die zich met het voortschrijden van de tijd alleen nog op geduldig papier laten oplossen.

Een goed voorbeeld van zo’n raadsel is het indrukwekkende oorlogsdagboek van Hanny Michaelis. Onlangs verscheen het tweede deel, De wereld waar ik buiten sta, en net als deel 1 is het een schokkend boek, vooral omdat het zoveel zegt over het christelijk antisemitisme dat Michaelis tijdens haar onderduikjaren naar het hoofd geslingerd kreeg. Over dat onderduik-antisemitisme is zelden iets geschreven door hen die het hebben ondervonden, wat ongetwijfeld te maken heeft met de dankbaarheid van de vervolgden jegens hun redders.

Niet minder belangrijk in dit opzicht zijn de romans En we noemen hem van Marjolijn van Heemstra en WIL van de Vlaamse Librisprijs-shortlistrunner Jeroen Olyslaegers, waarin de grens tussen goed en fout overtuigend is uitgewist. Alleen al het feit dat beide schrijvers tot de tweede naoorlogse generatie behoren en toch nog met die oorlog bezig zijn, rechtvaardigt het verschijnen van hun boeken.

En dan heb je ook nog de oorlogen waar we te weinig vanaf weten, zoals die in Nederlands-Indië, ook wel onze ‘open zenuw’ genoemd. Alfred Birney heeft in zijn maandag met de Librisprijs bekroonde roman De tolk van Java een belangrijk hoofdstuk aan onze kennis over die periode toegevoegd. Want dat het er tijdens de Bersiap-periode, die paar roerige maanden volgend op de capitulatie van Japan in 1945, zo extreem gewelddadig aan toeging, zoals hij beschrijft, had ik zelfs in mijn wilde fantasieën niet kunnen verzinnen.

Als je over de grenzen van het Nederlands taalgebied kijkt, kun je niet om Het museum van oorlog heen, de nieuwe roman van de Italiaanse schrijver Claudio Magris. Dat boek verscheen vorige week in een Nederlandse vertaling en maakte diepe indruk op me. Niet alleen omdat het handelt over de ontkenning van de collaboratie met de nazi’s door de lokale elite van Triëst, Magris’ geboortestad, maar ook omdat het alles zegt over het vuur van de oorlog, dat volgens hem overal, altijd en vooral in ieders hoofd woedt.

Dankzij Het museum van oorlog begreep ik ook dat de mens in een crisissituatie vaak een irrationeel wezen is. Het gezegde ‘De mens is de mens een wolf’ kreeg er een diepere betekenis door.

En dan laat Magris een van zijn personages ook nog zeggen: ‘Ja, ieder van ons is vaak, zonder het te beseffen, bewaarder van zaken die voor anderen van beslissende betekenis kunnen zijn, kennis die iemand kan bevrijden of verwoesten.’

Om zulke zaken te ontsluiten hebben we schrijvers nodig. Alleen zij kunnen je in hun romans op een hoger niveau duidelijk maken waarom je over oorlog moet blijven lezen. Alleen daarom al sla ik het advies van mijn collega in de wind.