Opinie

Wat Theresa May en Britse hooligans gemeen hebben

De Engelsen zijn beroofd van hun rechtmatige plaats als kampioen. In de wereld en op het voetbalveld. Dat idee drijft zowel de Brexiteers als een nieuwe generatie hooligans, denkt .

Fan van het Engelse nationale elftal tijdens Euro 2000 Foto Stewart Weir/Camera Press/ Hollandse Hoogte

Op wie lijkt Theresa May het meest? In haar duistere, paranoïde toespraak van vorige week, waarin ze stelde dat haar land onder vuur lag van EU-samenzweerders die de verkiezingen probeerden te beïnvloeden, probeerde de zelfbenoemde „sterke en stabiele” premier de spierbundels van haar persoonlijkheid te laten rollen.

Voeg hierbij haar dreigement om in de Brexit-onderhandelingen met ‘Brussel’ een „bloody lastige vrouw” te zijn en het is duidelijk dat May zichzelf beschouwt als de nieuwe Margaret Thatcher.

Anderen zien haar anders. Na de toespraak zei Nick Clegg van de Liberal Democrats dat ze woord-voor-woord klonk als Nigel Farage, de voormalige UKIP-leider.

In een artikel in The Guardian heette het dat Angela Merkel haar inmiddels als een Britse versie van Recep Tayyip Erdogan beschouwt. En op een muur langs het spoor bij het Londense treinstation Euston verscheen de grote graffititekst: „Theresa May is een nare, racistische slang”.

Mij lijkt vooral dat May stem gaf aan iets wat veel dichter bij huis is en veel minder uitheems: de geest van het Engelse voetbalvandalisme.

In haar korte verklaring vanuit Downing Street strooide ze met loze beledigingen, gaf ze blijk van overspannen oorlogszuchtig nationalisme en probeerde ze de indruk te wekken dat haar tegenstanders in de war zouden raken als zij zich „hard” opstelde.

Bendes straalbezopen en getatoeërde Engelse hooligans met ontbloot bovenlijf deden in de jaren zeventig en tachtig dit soort dingen voor de lol. Theresa flikte het kunstje in haar eentje, elegant uitgedost en broodnuchter.

Millwall F.C.

Haar bereidheid tot een Alleingang – „geen deal is beter dan een slechte deal” – is het politieke equivalent van het clublied van Millwall F.C.: „No-one likes us, we don’t care”. En haar gretigheid om door eeuwen van Brits buitenlands beleid te banjeren doet denken aan het nihilistische hooligan-gebral. Vijfhonderd jaar heeft de buitenlandse politiek van haar land tegenover Europa één centraal doel gehad: voorkomen dat het hele continent zich tegen Engeland verenigde. Uitgerekend May is dit nu gelukt.

Tot het Brexit-referendum van vorig jaar leek de tijd van het Engelse voetbalgeweld ver weg. Maar de geest van vreemdelingenhaat heeft de zombies weer tot leven gewekt.

Fans van Leicester City, die altijd bekend stonden om hun vreedzaamheid, hebben vorige maand in Madrid huisgehouden op de Plaza Mayor. Daar leverden ze veldslagen met de politie, scandeerden ze „Fuck you, Spanjaarden, Gibraltar is van ons” – een verwijzing naar de suggestie door een conservatieve politicus over een oorlog met Spanje over de Rots.

Soortgelijke taferelen waren er ook afgelopen zomer bij het Europees kampioenschap in Frankrijk, toen Engelse fans op de vuist gingen met Russen, scandeerden om een Brexit en hun minachting voor de Fransen uitschreeuwden.

De chauvinistische beroering sloeg zelfs over naar het veld. Een dag na het referendum speelde het Engelse elftal tegen IJsland. Eerdere wedstrijden had het nog in een moderne Europese stijl gespeeld, maar nu keerde het terug naar zijn oude Engelse spierballentactiek. En verloor.

Brexit en voetbal zijn nauw verwant

Dit komt allemaal omdat Brexit en voetbal nauwer verbonden zijn dan je zou denken. En, zoals zo vaak bij Britse kwesties, ligt de schuld bij de geschiedenis.

Het spel werd halverwege de negentiende eeuw ontwikkeld op de public schools van de elite en in de decennia daarna gereglementeerd en verspreid door oud-leerlingen van die scholen, dus in de hoogtij jaren van het Britse Rijk.

De waarden en uitgangspunten die bijdroegen tot het ontstaan en de instandhouding van dit rijk – zoals het militarisme en een geloof in de aangeboren Britse superioriteit – zaten ook in het DNA van de sport.

Deze waarden werden niet ter discussie gesteld toen het voetbal geleidelijk als een arbeiderssport (‘volkssport nummer één’) werd beschouwd en in de eeuw erna bleven ze ook grotendeels intact.

Na de Tweede Wereldoorlog, toen de Britse geopolitieke macht wegebde, het rijk uiteenviel en de voetbalsuprematie teloorging, raakten deze twee elementen – het denken uit de imperialistische tijd en het voetbal – gaandeweg verstrengeld tot wat een nationaal psychodrama zou worden.

De nationalistische waan achter de Brexit wordt aangejaagd door een aantal factoren, waaronder xenofobie en een neurotische heimwee naar verloren grandeur. Het cruciale idee is dat de Engelsen op de een of andere manier beroofd zijn van hun rechtmatige plaats als kampioenen op en buiten het veld.

Voor Britten voelt hun verdwenen rijk zoals geamputeerden een ontbrekend lichaamsdeel blijven voelen, en dit leidt tot vlagen van acute onvrede.

Omdat wij Britten ooit een wereldrijk hadden en we de Tweede Wereldoorlog hebben gewonnen (het aandeel van de anderen vergeten we meestal), vinden we dat het succes ons ook toekomt als de objectieve feiten anders uitwijzen.

May en de andere Brexiteers zijn dan ook van mening dat het Verenigd Koninkrijk zijn positie als onafhankelijke economische en geopolitieke zwaargewicht terugkrijgt door zich van de EU af te splitsen.

En zo verwachten de Engelsen nog altijd dat hun ploeg wereldkampioen wordt, ook al zijn ze nu al bijna vijftig jaar achtereen een tweederangs internationale voetbalmacht.

Zoals de Brexiteers het lidmaatschap van de Europese Unie als een ondraaglijke vernedering beschouwden, zo werden de Engelse voetbalnederlagen, vooral tegen ploegen uit landen die we in oorlogen altijd hadden verslagen, als een nationale schande gezien.

De lens van de psychoanalyse

Je kunt dit syndroom ook bekijken door de lens van de psychoanalyse. Duistere, boze gevoelens over onze gedaalde status liggen nu al enkele generaties in de nationale psyche op de loer.

Een van de grootste problemen bij dit trauma is dat Britse politici zelden of nooit hebben erkend dat het verlies van het wereldrijk inderdaad een trauma was. Daardoor zit het land permanent gevangen in een toestand die overeenkomt met Freuds idee van een trauma dat „door verdringing in het onbewuste is verzonken”. Ook al is dat trauma al tientallen jaren oud, de patiënten doen alsof het nog maar net is gebeurd.

Het is veelzeggend dat het syndroom immuun is voor echte veranderingen. In 1953 werd het bijvoorbeeld niet als een nationale ramp gevoeld toen Engeland op Wembley met 6-3 klop kreeg van het briljante Hongaarse elftal onder leiding van Ferenc Puskás.

Dat was niet alleen de eerste keer dat het ‘moederland’ van de voetbalsport thuis van een continentale tegenstander verloor: Engeland werd de hele wedstrijd in alle opzichten overklast.

Maar zoals journalist Neal Ascherson in herinnering bracht: „In die tijd waren de Engelsen nog in een soort grootmoedige roes door de oorlog. Ik geloof niet dat iemand in die nederlaag tegen Puskás het begin van het einde zag.”

Sterker nog, de Engelsen waren verrukt over de brille van de Hongaren. „Je kunt het sportief noemen. Of onvoorstelbare zelfgenoegzaamheid. Je zou het ook een vrij gezonde houding kunnen noemen. Namelijk de gedachte dat wij hun iets hadden geleerd waarin ze vrij goed waren geworden: ‘Well done, chaps!’”

Evenmin was er veel triomfalisme toen Engeland dertien jaar later dankzij het thuisvoordeel en een behulpzame scheidsrechter de wereldkampioen van 1966 werd. Ook nu had het land een goed gevoel over zichzelf. Het was de tijd van de Beatles en Swinging London, en in navolging van premier Harold Wilson die in een fameuze toespraak had opgeroepen de ‘witte hitte’ van de nieuwe technologische revolutie te omarmen, had het nationale elftal in zijn witte shirts zijn tactiek gemoderniseerd.

Maar in de jaren zeventig sloeg de stemming om.

Een breder verval

In het decennium van de driedaagse werkweek, de redding door het IMF en de groeiende reputatie van de Britten als de ‘zieke man van Europa’, werden voetbalnederlagen tegen landen als West-Duitsland, Polen, Italië en Nederland gaandeweg opgevat als blijk van een breder verval.

Opgehitst door de steeds hysterischer sensatiepers gingen de Engelsen WK- en EK-toernooien benaderen in een sfeer van wanhopig chauvinisme. Draaide een voorspelde zege op een nederlaag uit, meestal in de eerste of tweede ronde, dan volgden vloedgolven aan bittere verwijten, werden zondebokken gezocht en schetsten gekwelde artikelen hoe het zo mis had kunnen gaan met de natie.

Begin jaren negentig leek elk besef van perspectief verloren. Toen Engeland zich niet wist te plaatsen voor het wereldkampioenschap van 1994, luidde de kop van de Daily Mirror: „Het einde van de wereld”.

Niet toevallig was dit ook de gouden eeuw van het voetbalvandalisme, met een aantal van de ergste excessen die zich buiten de Britse grenzen hebben afgespeeld. Het oproer van Tottenham Hotspur-fans bij de finale van de UEFA-Cup van 1974 in Rotterdam was er een van tientallen.

Ook dit was geen toeval. Zoals Bill Buford in 1991 schreef in zijn boek Among the Thugs (‘Tussen het tuig’) „hielden de Engelse supporters niet van vreemden … en van buitenlanders konden ze het bloed wel drinken.”

Beschonken, hyper-agressieve, nationalistische fans reisden speciaal naar het buitenland om rotzooi te trappen. Of ze nu aanhanger waren van een clubteam of de nationale ploeg, de hooligans zagen zichzelf als strijders voor een bredere zaak. „Ze wilden oorlog”, legde Buford uit. „Ze wilden deel uitmaken van een natie en daarvoor vechten.”

Gevoel van mondiale superioriteit

Dezelfde houding heerst onder de nieuwe generatie. Zoals Newsweek-journalist Tunku Varadarajan opmerkte nadat Engelse fans zich in Frankrijk misdroegen: „Een cultus van wezenloze mannelijke ‘hardheid’ komt in veel delen van de wereld voor. Maar alleen in Engeland is deze verbonden met het gevoel van mondiale superioriteit dat dit tuig heeft.”

Hij herinnerde ook aan de ideologie van de jaren tachtig die dit mogelijk maakte: „[de Engelse hooligan] had minachting voor iedereen en meende dat niemand op aarde zo kon vechten als de Engelsman [...] Hardheid was een doel op zichzelf en werd gekoesterd als een morele deugd. Wie voor hem wegvluchtte, wie bezweek als hij werd geslagen en getrapt, was een wezen van een lagere orde – een spanjool, een roetmop, een fransoos, een mof, een geitenneuker.”

De regering-May en haar aanhang vertonen een houding inzake de Brexit die amper gevoeliger is.

De vooraanstaande tv-historicus David Starkey heeft de Brexit vergeleken met de breuk van Hendrik VIII met Rome. Het vertrek uit de EU zou het tijdperk van een nieuw wereldrijk kunnen inluiden. Voormalige koloniën wier ervaring met het Britse bestuur minder rooskleurig was dan de Brexiteers zich herinneren, zijn boos over de berichten dat medewerkers van Liam Fox, de minister voor Internationale Handel, de handelsakkoorden voor na de Brexit „Empire 2.0” noemen. May belooft een „waarlijk mondiaal Brittannië”, bevrijd van de Brusselse ketenen.

Bij de Europese leiders die elf maanden geleden paf stonden bij het referendum, groeit nu de weerzin steeds verder. De nieuwe Franse president Emmanuel Macron gaat zelfs zover dat hij de Brexit „een misdaad” noemt.

Er zijn inmiddels genoeg duidelijke, objectieve aanwijzingen dat de Brexit geen feest zal worden. Ook als de alimentatieregeling is opgelost en er komt een overgangs- of handelsovereenkomst, zal de Brexit het Verenigd Koninkrijk verzwakken. Als het zonder akkoord moet terugvallen op de regelgeving van de WTO, dan zou dit een absolute ramp zijn.

Toch spreek May met onbekommerd vertrouwen over de weg die ze gekozen heeft.

Het is deze maand 32 jaar geleden dat het eerste tijdperk van het Engelse voetbalvandalisme – notabene in Brussel – culmineerde in een bloedbad. Liverpool-fans belaagden Italiaanse fans die in doodsangst op de vlucht sloegen; 39 van hen werden verpletterd toen in het vervallen Heizelstadion een muur instortte.

Daarna viel het Verenigd Koninkrijk in ongenade en werden de Engelsen, althans hun clubvoetbalteams die als symbool belangrijk waren, uit Europa verbannen. Dat was misschien wel het meest beschamende moment voor het land in de late 20ste eeuw.

Het politieke en diplomatieke vandalisme van Theresa May lijkt een nog veel ergere ineenstorting teweeg te brengen.