Cultuur

Interview

Interview

Foto Merlijn Doomernik

‘Ik hoop dat ik als beschouwer toch de blik van romancier heb behouden’

Interview Bas Heijne

Bas Heijne schrijft wekelijks over de actualiteit, maar het gaat hem om wat daarachter schuilgaat: verlangen en onvermogen.

Week in week uit vertelt Bas Heijne de mensen hoe hij naar de wereld kijkt, in deze krant en elders, erudiet en welsprekend, hij krijgt er donderdag de P.C. Hooft-prijs voor. Maar wat voor man is hij? Wat heeft hem gevormd? We zitten in een wijnbar in de Haarlemmerstraat, om de hoek van de Keizersgracht in Amsterdam, waar hij woont met zijn vriend Peter, fluitist. We drinken koffie en thee.

U bent geboren in Nijmegen.

„Mijn moeder kwam daarvandaan. Ik heb er geen herinneringen aan, want toen ik een maand of zes was, zijn we naar Zwanenburg verhuisd. Mijn vader had werk gekregen bij Capi-Lux, op de vakafdeling. Hij kende alle beroemde fotografen in die tijd, Ed van der Elsken, Philip Mechanicus. Een heel aardige, sociale man. Ik had een goede band met hem, en ook met mijn moeder. Zij was verpleegster.”

Zij leven niet meer?

„Mijn moeder is in 2013 overleden, ze had alzheimer. Mijn vader een jaar later, aan kanker. Ze hebben het goed gehad, ze waren gelukkig samen. Alleen de laatste drie jaren waren zwaar, ook voor mijn zus en mij. Op het laatst moest mijn moeder naar een verpleeghuis, mijn vader ging eraan onderdoor. Ze protesteerde heftig en toen zei de verpleegster: gaat u maar, ik houd haar wel tegen. Ze was zo’n intelligente, humorvolle vrouw. Literair onderlegd ook, altijd lezen. Wolkers, Reve.”

En uw vader?

„Die begon later pas te lezen. Mijn ouders waren kinderen van het Wirtschaftswunder. Jong in de oorlog, ze hebben geen keuzes hoeven maken, al heeft mijn moeder er wel klappen van gehad. Toen de Amerikanen Nijmegen per ongeluk hadden gebombardeerd, zag zij in het ziekenhuis waar ze werkte de zwaargewonden binnenkomen. Haar eigen broer is nooit teruggevonden. De vader van mijn vader was een echte sociaaldemocraat, iemand van de zelfverheffing. Begonnen als timmerman, uiteindelijk sportleraar. We hadden een keer een familie-uitje en toen liep hij te zeulen met een loodzware tas. Opa, wat zit daarin? Dat is mijn cursus sterrenkunde. Hij was 90.”

U groeide dus op in Zwanenburg.

„Ik had altijd het gevoel: dit is niet het echte leven. Fietste ik over de dijk naar school in Badhoevedorp en dan keek ik naar die eindeloze bietenvelden. Nog altijd, als ik niets doe, dan zink ik meteen weg in dat gevoel van vroeger. Een soort verdoving. Voor mij was het de hel.”

Lazen uw ouders u voor?

„Ze waren meer verhalenvertellers. Ik kon zelf al heel jong lezen en we hadden in het dorp een bibliotheekbus. Ik hield van boeken met een plot, Enid Blyton, geheimen, avonturen. Vanaf mijn elfde, twaalfde ging ik zelf boeken kopen, Penguin-pockets, H.G. Wells, War of the Worlds, de Sherlock Holmes-verhalen van Conan Doyle, spotgoedkoop. Ik leerde mezelf Engels met een woordenboek en op mijn achttiende ben ik Engels gaan studeren. De Nederlandse literatuur kwam later. De avonden heb ik op mijn dertigste gelezen. Louis Couperus, waar ik een van mijn persoonlijkste essays over geschreven heb, kwam ook later.”

Was het een probleem dat u homoseksueel bleek te zijn?

„Niet echt. Ik wist het al op mijn veertien, vijftiende, maar ik was zeventien toen ik uit de kast kwam. Ik wilde er niet over liegen tegen mijn ouders, dus toen ik op vakantie een jongen had ontmoet, hij was 26, heb ik het meteen verteld. Mijn vader reageerde klassiek: je bent gewoon mijn zoon. Mijn moeder moest er wel aan wennen. Niet omdat ze het afkeurde, maar omdat haar zoon heel anders was dan ze gedacht had.”

Het was eind jaren zeventig, vrijheid, blijheid…

„…en homoseksualiteit werd hip. Je had die antihomoactiviste, Anita Bryant, ze komt voor in die film nu, Milk. En je had Mies Bouwman die in het Concertgebouw een avond tegen de heksenjacht op homo’s in Amerika presenteerde, iedereen was er, de burgemeester van Amsterdam, een doorbraak. Maar toen kwam aids. Als je de brieven van Frans Kellendonk leest, hij was negen jaar ouder dan ik, zie je het weer voor je. De euforie van de vrijheid, en drie jaar later – paf, voorbij.”

Op oude foto’s lijkt u wel een cherubijn.

„Een engeltje, ja. Zelf viel ik op jongens van mijn leeftijd, maar het waren oudere mannen die voor me in de rij stonden. Het heeft niet lang geduurd, hoor. Blonde schoonheden gaan niet lang mee.”

Waren het leuke jaren?

„Nou ja, nee. Het ging nooit om mij of om mijn zielenroerselen. Ik kan me voorstellen hoe vrouwen zich soms voelen. Je wordt een beetje een courtisane. Maar ik kwam ook in literaire kringen terecht, en ik wilde schrijver worden. Gerrit Komrij – hij zat in een VPRO-forum en ik zat daar in mijn zwart fluwelen jasje, met die krullen, dat was meteen… Puur keurig hoor. Gerrit heeft zich altijd keurig gedragen.”

Was u bang voor aids?

„Ja, zoals iedere homo. Zeker in het begin, alles was nog onduidelijk, en toen bleek Frans Kellendonk het te hebben. Ik had één nacht met hem geslapen, begin jaren tachtig, wel safe, maar safe avant la lettre. Dus dan ben je niet alleen bezorgd om de ander, maar ook om jezelf.”

Was u bevriend met hem?

„Niet echt, niet toen ik net in Amsterdam woonde. Toen was het meer bewondering van mijn kant. Hij was dé schrijver van zijn generatie, en een heel mooie jongen. We hadden gemeenschappelijke vrienden, maar ik leerde hem nooit echt goed kennen. Dat veranderde toen ik hem een keer voor mijn verjaardag uitnodigde. Hij kon niet omdat hij al te ziek was. Toen ik vroeg of hij het leuk zou vinden als ik eens langskwam, zei hij: ja, graag. Nou, als Kellendonk ‘ja, graag’ zei, dan wilde hij het echt graag, want hij kon zeer gereserveerd zijn. Dat laatste jaar ben ik zo’n beetje elke week bij hem geweest.”

Intussen had u uw eerste roman geschreven, over dat Amsterdamse kunstenaarsmilieu.

„Ik was op mijn drieëntwintigste gedebuteerd met Laatste Woorden. Kellendonk was er heel aardig over. Dat boek heeft 45 recensies gekregen, bijna allemaal positief, ook in NRC. Ik dacht toen dat het zo hoorde, al die aandacht.”

U deed negen jaar over uw volgende roman, ‘Suez’. Hoe kwam dat?

„Na zo’n debuut is een tweede boek altijd lastig. En er was veel afleiding. Ik ging reisverhalen schrijven, in het spoor van E.M. Forster en van de dichter Byron, daar was ik een groot fan van. Ik schreef een column over literatuur in Vrij Nederland en in 1991 kreeg ik het aanbod om voor NRC te gaan werken als essayist. De baan die Rudy Kousbroek had.”

Daarna bent u helemaal gestopt met romans.

„Fictie voelde voor mij steeds meer als een omweg. Wat denk ik meespeelde: in die VN-column was ik scherp over andere schrijvers en daarbij waren er nogal wat mensen die zichzelf oneindig veel geschikter vonden voor die baan bij NRC. De literaire wereld is geen pretpark, eerder een schoolplein, en dat heeft dat arme Suez op zijn dak gekregen. Het werd minder goed ontvangen.”

Het was een wonderlijk boek.

„Over een oude man op een schip die getuige is van een romance tussen een jongen en een meisje, waardoor zich pijnlijke herinneringen aan hem opdringen. Het ging heel intiem over mezelf, maar dan in 1900. Ik denk niet dat veel lezers het begrepen hebben. In wezen ging het over verlangen en onvermogen, emoties waar het in de literatuur om gaat en waar het leven om draait. Het leven draait niet om de vraag of de integratie al dan niet gelukt is en of Ard van der Steur al dan niet moet aftreden, het terrein waar ik nu op zit – dat van de meningen en de stellingnames en de analyses.”

Het gaat om de diepere driften, om met Freud te spreken?

„Ik hoop dat ik als de beschouwer die ik nu ben toch de blik van de romancier heb behouden. Ik zoek naar de motieven achter de argumenten, die zijn oneindig veel interessanter. Angst, jaloezie, wraakzucht, woede. Achter de argumenten gaat de echte wereld schuil – het terrein van de literatuur.”

Vindt u het dan niet jammer dat u geen romans meer schrijft?

„Ik heb wel een idee voor een roman, maar eh…” Hij onderbreekt zichzelf en zegt dan: „Ik zal geen vuistdikke roman meer schrijven waarin een familie dertig jaar gevolgd wordt. Ik heb het wel geprobeerd, maar na tien bladzijden hield ik er steeds weer mee op. Het boeide me niet meer.”

Literatuur doet er ook minder toe dan vroeger.

„Dat heb ik ook gezegd in een essay, er kwamen boze reacties op. Ik zag het verkeerd, er werd juist steeds beter geschreven, steeds meer ook. Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Het gaat om de Anklang die literatuur heeft, de positie ervan in de samenleving. Vroeger hadden mensen misschien ook nooit iets van Mulisch gelezen, maar hij was wel een schrijver met invloed. Dat is door de culturele dynamiek en de concurrentie van andere media veranderd. Plus de nadruk die er nu ligt op zelfexpressie. Ik zag een prachtige spotprent in Le Monde. Jong stelletje staat in de etalage van een boekwinkel te kijken. Zegt de jongen: de mensen lezen niet meer. Nee, zegt het meisje, ze schrijven. Mensen die klagen dat ze niet gehoord worden, zijn eigenlijk niet bereid om te luisteren. Men wil zenden.”

U zendt ook.

„Ja, dus ik begrijp het wel. Maar ik ben geen exhibitionistische schrijver, zoals Jeroen Brouwers, of, meer nog, Reve. Dat bedoel ik niet negatief. Zij vertellen verhalen vanuit hun eigen persoonlijkheid. Ik observeer en beschrijf dan wat die observaties in mij teweeg brengen. Het is voor mij een manier om contact te houden met de wereld om me heen, om te ontsnappen aan de verdoving. Beide vormen kennen hun ontsporingen. De exhibitionist kan zo particulier worden dat je denkt: waarom moet ik dit weten? De observator, en dat is bij mij het gevaar, kan zoveel afstand nemen dat hij verdwijnt in zijn onderwerp. Dan wordt het te onpersoonlijk.”

Vorig jaar heeft u een tijdje geen columns geschreven. Wat was er?

„Soms is daar die sissende slang die zegt: je kunt het ook niet doen. Die columns, wat blijft ervan over? Alles verdwijnt in het zwarte gat.”

U heeft rond uw dertigste ‘Heart of Darkness’ van Joseph Conrad vertaald en het sombere mensbeeld daarin lijkt nog altijd in uw werk te resoneren.

„Het mensbeeld waarmee ik ben opgegroeid was uitgesproken optimistisch: we gaan steeds een stapje vooruit, meer vrijheid en gelijkheid, meer individualisme, meer begrip. Conrad laat in Heart of Darkness zien hoe mensen ontsporen als ze los gezongen raken van hun sociale context en er geen remming en controle meer is. Kurtz, in de donkere binnenlanden van Afrika, heeft prachtige idealen en schrijft een prachtig rapport over de afschaffing van barbaarse praktijken. Marlow, de verteller, leest dat en denkt: wat een nobele woorden, alleen ontbreekt het wel een beetje aan praktische aanbevelingen – tenzij die ene krabbel daar. En dan staat daar: exterminate all the brutes. Dat is echt kritiek op de hoogmoed van het verlichtingsdenken, en dat moet ook, want je ziet wat eruit voortkomt. Ieder voor zich, niemand die zich nog wat laat zeggen, mooie woorden die lage motieven moeten verhullen. Het verlichtingsdenken zoals dat is overgeleverd in deze tijd, dat moet je echt zwaar bekritiseren, wat ik dus doe, maar zonder de idealen die eronder zitten op te geven. Dat is mijn positie geworden.”

Hoe zien uw dagen eruit?

„Ik sta meestal rond halfnegen op en dan ga ik eerst twee of drie uur freewheelen. Hier en daar een artikel lezen, op Twitter kijken, niet heel gedisciplineerd, ik ben meer een flaneur. O, dit is interessant, en dat ook – en daar komt dan een column uit voort. Je gooit kilo’s aan bijvangst weg. In de middag maak ik eens een wandeling, meestal naar een boekwinkel, en ik lees de boeken die ik moet recenseren of waarover ik mensen ga interviewen. Op het moment werk ik aan een essay over de erfenis van Mandela, Ghandi en Martin Luther King, voor bij een tentoonstelling in de Nieuwe Kerk.”

U bent niet het type van een verslaggever.

„Nooit geweest. De Franse verkiezingen – ik zag in Parijs posters hangen tegen Macron en dan denk ik: waarom hebben mensen zo’n hekel aan hem? Dat ga ik dan onderzoeken. Maar niet met een microfoon in de hand.”

Dat idee voor een volgende roman, hoe ziet dat eruit?

„Daar moet ik eigenlijk niet over praten, maar eh… Het is Zwanenburg en het is Heart of Darkness. De onderliggende gewelddadigheid die juist in de verdoving en de leegheid naar boven kan komen. In Zoetermeer was er een man die een afspraak had met een Poolse webcamgirl. Hij had haar niet verteld dat hij een vrouw en kinderen had. Toen raakte hij zo in paniek dat hij hen heeft vermoord. Hij gaf ze op als vermist, later heeft hij de politie nog helpen zoeken, en dat hele weekend bracht hij met dat meisje door. Het bloed op de muren had hij afgeplakt met tekeningen van zijn kinderen. Ik ben naar het hoger beroep in zijn zaak gegaan, tot mijn verrassing kon je daar gewoon heen. Ik zag een doodgewone man.”

De banaliteit van het kwaad.

„Een mens kan zo gemakkelijk ontsporen. Dat fascineert me enorm.”